Het rijke gereformeerde leven na de synode van Dordrecht

Synode van Dordrecht
”Portret van Eva Wtewael (1607-1635) uit 1628, geschilderd door haar vader Joachim Anthonisz Wtewael. De rijk uitgedoste Eva symboliseert deugdzaamheid. Het schaartje dat ze in haar hand heeft wijst op de eindigheid van het leven. beeld Centraal Museum, Utrecht.
6

Afdrukken van pagina’s uit de Statenbijbel van Amalia van Solms dienen als behang – 4 meter hoog. Het Woord is overal in de negen zalen van het Dordrechts Museum die aan de Dordtse synode zijn gewijd.

De ruimten zelf zijn smaakvol ingericht met een overdaad aan prenten, schilderijen, meubels, rijkversierde Bijbels, kerkzilver. De tentoonstelling ”Werk, bid en bewonder” belicht het rijke gereformeerde leven van 1572 tot 1920.

Prominent in de tentoonstelling hangt het bekende schilderij dat Pouwels Weyts in 1621 maakte van de synode van Dordrecht. De afgevaardigden die in 1618/1619 aan de kerkvergadering in de Kloveniersdoelen deelnamen waren statige heren in stemmig zwart, de meesten met hoed. Steile calvinisten die korte metten maakten met de remonstranten. Niet het soort mensen dat je gauw in verband brengt met kunst en cultuur.

Toch is dat precies wat conservator Marianne Eekhout van het Dordrechts Museum doet in de tentoonstelling ”Werk, bid en bewonder”. Ze laat zien dat het traditionele beeld van de sobere, kunstmijdende, rechtlijnige en intolerante zeventiende-eeuwse gereformeerden niet op feiten berust. „Dat beeld is pas in de negentiende eeuw, mede onder invloed van Abraham Kuyper, ontstaan. De werkelijkheid was een stuk genuanceerder. Het beeld dat kunst en calvinisme niet samengingen blijkt niet te kloppen.”

Elite

Een van de paradoxale effecten van de Dordtse synode was dat de contraremonstranten aan de macht kwamen in de jonge Republiek. Zij vormden de nieuwe politieke en economische elite, mensen met veel geld en liefde voor kunst. Eekhout: „Hun rijkdom en maatschappelijke status vertaalden zich onder meer in grote huizen met chique interieurs, waarin kunst een centrale rol speelde.”

”Koor van de St. Bavo te Haarlem, gezien vanuit de Kerstkapel” (1636), Pieter Saenredam. De kunstenaar schilderde de leegte van de kerk als ideaalbeeld in de zeventiende eeuw. beeld Fondation Custodia, Collection Frits Lugt, Parijs.

Zelfs orthodox-gereformeerde predikanten lieten zich in deze tijd verrassend positief uit over beeldende kunst. Willem Teellinck uit Middelburg betoogde in 1611 bijvoorbeeld dat „wy oock onberispt onse huysen verciert hebben met Schilderijen ende Figueren (...) want niemandt van ons en seydt dat het beelde-snijden ofte schilderen in zijn selven quaet sy.” Zelfs in de kerk stond hij beeltenissen toe, op de „sitstoelen, de bancken, het gewelff, de pilaren ende mueren onse Kercken (...) als dat soo pas geeft.” Eekhout: „Deze opvatting laat een andere relatie tussen kunst en calvinisme zien dan we gewend zijn.”

De bekendste calvinistische predikanten van de Republiek waren de gebroeders Hendrik en Eleazar Swalmius. Beiden preekten in de Haagse Kloosterkerk in de tijd dat Maurits koos voor de contraremonstranten. De twee lieten zich portretteren door de meest vooraanstaande kunstenaars van hun tijd: Hendrik door Frans Hals en Eleazar door Rembrandt. Eleazar vormde zelfs een spil in Rembrandts netwerk, wat opmerkelijk is omdat de kunstenaar ook sterke banden had met het remonstrantse milieu.

Respectvol

Al eerder was gebleken dat de gereformeerden respectvol omgingen met kunstuitingen, zelfs als die een duidelijk rooms-katholieke oorsprong hadden. De Beeldenstorm van 1566 was volgens Eekhout minder heftig dan doorgaans wordt gesuggereerd. „Om de rust in de stad te bewaren, was een zorgvuldige omgang met katholieke kerkgoederen van groot belang. Gereformeerde en opstandige steden lieten kloosters, kapellen en kerken daarom gecontroleerd leeghalen.” Van grootschalige verwoestingen was geen sprake.

Als voorbeeld heeft Eekhout het altaarstuk van de familie Hallincq uit de Nieuwkerk in Dordrecht in de tentoonstelling opgenomen. Op het triptiek staan onder meer een afbeelding van Jezus’ kruisiging en een aantal heiligen. In 1572 ging Dordrecht over op de gereformeerde religie en werd ook de Nieuwkerk gezuiverd van beelden. Privé-eigendom kon binnen een vastgestelde termijn worden opgehaald. Ook het triptiek van de familie Hallincq, dat in een kapel boven het graf van Jan Ockersz Hallincq hing, moest weg. De familie, die zelf ook gereformeerd werd, besloot het kunstwerk uiteindelijk niet te vernietigen maar als aandenken te bewaren.

”Abraham ontvangt de drie engelen” (1660-1663), Ferdinand Bol. Het is een van de meer dan vier meter hoge doeken die Jacoba Lampsins voor haar woonhuis in Utrecht bestelde. Als gereformeerde vrouw vergeleek zij de Nederlanders graag met het volk Israël. beeld Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Andere kunstvoorwerpen werden ondergebracht in gildehuizen, schuttersdoelen of stadhuizen. Het altaarstuk ”Het laatste avondmaal” van Willem Key uit de Grote Kerk van Dordrecht kreeg bijvoorbeeld een prominente plek in de raadszaal van het Dordtse stadhuis. Saillant detail: hier kwam later ook Weyts schilderij van de Dordtse synode te hangen.

Gewaagd

Verrassend voor Eekhout was een „gewaagd werk” van Ferdinand Bol. De kunstenaar portretteerde in 1656 Wigbold Slicher en zijn vrouw Elisabeth Spiegel als de mythologische figuren Paris en Venus. Het echtpaar was degelijk gereformeerd, maar toch is Elisabeth afgebeeld met ontblote borst. „Opmerkelijk”, vindt Eekhout. „Het toont een onverwacht beeld van calvinisten. Waren zij wellicht minder streng en sober dan wij denken?” Gezien de afmetingen van het werk hing het mogelijk zelfs in de ontvangstruimte van het huis. In gereformeerde kringen was dit soort voorstellingen kennelijk geaccepteerd, aldus Eekhout.

Nog een mythe die sneuvelt: het dragen van zwarte kleding is niet iets typisch gereformeerd. De tentoonstelling opent met een portret uit 1669 van Margaretha de Geer, echtgenote van de Dordtse koopman Jacob Trip. De broze, oude vrouw is in het zwart gestoken. Eekhout heeft bewust gekozen voor dit portret om aan te sluiten bij het bestaande beeld over calvinisten. Echter: zwarte stof was in de zeventiende eeuw het allerduurst omdat die eerst blauw en daarna zwart geverfd was. Met zwarte kleding kon dus juist worden gepronkt.

Kerkboekje van Koningin Emma, 1867.  beeld Koninklijke Verzamelingen Paleis Noordeinde.

Nog zo’n misverstand: het gereformeerde geloof sloot wetenschap uit. De contraremonstrantse predikant Petrus Plancius was een befaamde geograaf. Zijn wereldkaarten en globes waren alom bekend. „Bovendien ontstond door de vrijheid van geweten een open wetenschappelijk klimaat waardoor in de Nederlandse Republiek een vrijere uitwisseling van gedachten mogelijk was dan elders in Europa”, aldus Eekhout.

Geen kale kerken

En dan de sobere protestantse kerkinterieurs die we kennen van schilder Pieter Saenredam. Die geven eerder een ideaalbeeld dan de werkelijkheid weer, stelt Eekhout vast. „De kerk was na de Reformatie allesbehalve kaal. Het gebouw hing vol met tekst- en wapenborden.” De preekstoelen waren vaak fraai bewerkt en na de Reformatie kregen de kerken nieuw liturgisch goud en zilver, bijvoorbeeld een avondmaalsstel. In consistorie- of kerkenraadskamers was plaats voor Bijbelse kunst. In 1625 bestelde de kerkenraad van de Oude Kerk in Amsterdam bijvoorbeeld een schilderij bij David Colijns van de doortocht door de Rode Zee.

Opvallend vaak werden ook uitbundig versierde uitgaven van de Statenbijbel uitgebracht. In de tentoonstelling zijn daar prachtige voorbeelden van te zien, onder meer de Bijbel die toebehoorde aan Amalia van Solms. De gereformeerden uit de zeventiende eeuw laafden zich niet alleen aan de geestelijke rijkdom uit de Bijbel, ze verzamelden wel degelijk ook schatten op de aarde.

De tentoonstelling ”Werk, bid en bewonder”, die deze zaterdag wordt geopend door Koning Willem-Alexander, is te zien tot en met 26 mei 2019, de zittingsduur van de synode van Dordrecht. www.dordrechtsmuseum.nl