Het harde bestaan van een pionier

De Duitse schrijver Karl May zorgde er met zijn verhalen over het opperhoofd Winnetou en diens bloedbroeder Old Shatterhand voor dat het Amerikaanse Wilde Westen omgeven werd met een aureool van romantiek. Maar de werkelijkheid was heel anders. Pioniers op de prairies leidden een hard bestaan.

Cowboys, geluks- en goudzoekers, revolverhelden. In boeken en films over het Wilde Westen lijkt het alsof zij in de tweede helft van de negentiende eeuw de dienst uitmaakten in het ongerepte Westen van Noord-Amerika. Soms was dat ook zo. Wetteloosheid en geweld waren bij tijd en wijle dominant in de pionierssamenleving die er tussen 1865 en 1895 in de gebieden ten westen van de Mississippi bestond. Maar overdrijven is ook een vak. Veel wildwestverhalen komen uit het rijk der fabelen.

Wie nu door staten als Kansas, Nebraska. Wyoming, de beide Dakota’s, Arizona of Nevada rijdt, kan zich daar heel eenzaam voelen. De totale verlatenheid die soms tientallen mijlen lang aan je oog voorbijtrekt, roept de vraag op: hoe is het mogelijk dat anderhalve eeuw geleden mensen deze onherbergzame streken in cultuur hebben gebracht? En dat terwijl deze bedwingers van de prairies toen veel minder technische middelen hadden dan wij in onze tijd.

De frontier, zoals de denkbeeldige grens tussen het Wilde Westen en de meer beschaafde streken in het oosten van Amerika werd genoemd, lag lange tijd bij de Mississippi. Na 1800 schoof hij geleidelijk steeds verder naar het westen op. De verkenning, verovering en bezetting van het westen van de Verenigde Staten begon al vanaf de zogenaamde Louisiana Purchase in 1803, toen Napoleon Bonaparte de laatste Franse gebieden in Noord-Amerika aan de VS verkocht. Tussen 1830 en 1850 werden de noordelijke gebieden van Mexico door de VS bezet, waarmee dit land een derde van zijn grondgebied verloor.

Stroomversnelling

Na het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog in 1865 kwam de kolonisatie van de westelijke gebieden in een stroomversnelling. Rond 1900 werden de Stille Oceaan en het al eerder gekoloniseerde Californië bereikt. Hiermee hield het Wilde Westen als een rauwe, avontuurlijke, deels wetteloze samenleving van vrijbuiters op te bestaan.

Wie naar het westen trok, wist dat hij in betrekkelijke eenzaamheid en vaak onder barre omstandigheden een bestaan moest zien op te bouwen. Desondanks waren er die de grote trek waagden: gelukzoekers, vrijbuiters en –na de Amerikaanse Burgeroorlog– gefrustreerde militairen. Zij zochten de vrijheid – niet alleen om de ruimte maar ook omdat ze zich niet wilden voegen in het keurslijf van de Amerikaanse wet- en regelgeving. Formeel had Washington dan wel zeggenschap over de westelijke gebieden, feitelijk had de regering er niets te vertellen.

De meeste pioniers waren vrijbuiters. Ze wilden in onafhankelijkheid hun eigen bestaan hebben. Maar soms ging vrijbuiterij bijna geruisloos over in vrijgevochtenheid, waarbij het recht van de schutter de doorslag gaf. Berucht was William Henry McCarty, beter bekend als Billy the Kid. Op 21-jarige leeftijd had hij volgens overlevering al meer dan twintig mensen vermoord. Zijn eerste dodelijke slachtoffer zou The Kid al op 12-jarige leeftijd gemaakt hebben. Hij werd in 1881 zelf doodgeschoten door sheriff Pat Garrett. Andere beruchte pistoolhelden, zoals ze te boek staan, waren Jesse James, Wyatt Earp en Roy Bean.

Zeker na het einde van de Amerikaanse Burgerloog zochten voormalige soldaten een goed heenkomen in het Westen. Het waren mannen die latente meningsverschillen niet met woorden maar met wapens oplosten. Hun optreden heeft bedragen aan het latere imago van het Wilde Westen waar de kogels mensen geregeld om de oren zouden vliegen. Overigens zochten deze revolverhelden niet zozeer naar roofbuit bij pioniers. Zij wisten dat daar weinig te halen viel. Als ze platzak waren overvielen ze een winkel, een bank of een goederentrein.

Het wapenbezit onder pioniers was de eerste decennia hoog. Vrouwen en zelfs kinderen droegen revolvers om daarmee zichzelf te beschermen. Eind jaren zeventig van de 19e eeuw kwamen de eerste restricties op het wapenbezit. Ongeveer in dezelfde tijd zorgde de federale regering ervoor dat in de dorpen en steden wetshandhavers kwamen: sheriffs en militairen. Daarmee werden de eerste belangrijke stappen gezet in het temmen van het Wilde Westen.

Gunstige regelingen

Om het nieuwe land te bevolken met ordentelijke burgers die met hard werken de ongerepte natuur zouden ontginnen, stimuleerde de Amerikaanse overheid de trek naar het westen met gunstige regelingen voor landaankoop. „Voor landloze mensen is er alle ruimte in dit mensloze land”, schreef de Amerikaanse regering in een wervingsfolder. In 1862 werd de Homestead Act aangenomen. Daarin werd bepaald dat een hoofd van een huishouden een stuk land van maximaal 65 hectare tegen zeer lage prijs kon verwerven of zelfs gratis kon krijgen. De koper moest beloven er ten minste vijf jaar te blijven wonen, de grond te onderhouden, die te ontwikkelen en om er een huis met een bepaalde minimumafmeting te bouwen.

Toen de frontier de steppes en woestijnachtige streken in het westen had bereikt, kwam de regering in 1877 met een nog gunstiger aanbod, Wie 640 acre kocht (een stuk van 1 mijl lang en 1 mijl breed) betaalde daarvoor 150 dollar – omgerekend 25 cent voor een acre. Deze stimuleringsmaatregelen hadden effect. Duizenden Amerikanen van de oostkust, vaak teleurgesteld dat ze lang moesten wachten op zakelijk succes, trokken westwaarts, gevolgd door immigranten die recent uit Europa waren gekomen.

Bij de verovering van het nieuwe land botsten de pioniers soms met indianenstammen die in sommige streken woonden. De suggestie die in films en romans wordt gewekt dat er sprake was van een voortdurende strijd tussen beide groepen, is misplaatst. Indianen waren vaak bereid de kolonisten te helpen. Van hen leerden de landverhuizers om te gaan met de natuur: welke planten zijn eetbaar, welke giftig? Wat zijn geneeskrachtige kruiden?

Confrontaties

Slechts in een beperkt aantal gevallen kwam het tot harde confrontaties, waarbij in zeer beperkte mate slachtoffers vielen onder de nieuwe bewoners. In de tweede helft van de 19e eeuw waren dat er hooguit 400. Hoeveel indianen de dood vonden bij een confrontatie met de landverhuizers is moeilijk te becijferen. Zeker is dat dit er meer waren dan bij de kolonisten, maar geen tienduizenden.

Bij die confrontaties ging het vaak niet over de aanwezigheid van de nieuwe bewoners, maar over het feit dat ze land tot hun eigendom verklaarden. Dat was voor de indianen onbestaanbaar. Land kon volgens hen nooit privé-eigendom zijn. Indianen beschouwen het als gemeenschappelijk bezit.

Niet zozeer de indiaan maar de natuur was de grote vijand van de kolonist. Zowel de klimatologische omstandigheden –hete zomers, strenge winters– als de ruige bodemgesteldheid maakten het leven moeilijk. De Amerikaanse historicus Walter Prescott Webb (1888-1963) schreef begin vorige eeuw: „Hier waaien felle winden over de ontzaglijke, onafzienbare vlakten; winden die niet alleen zware rampen kunnen veroorzaken, maar ook irriteren, de zenuwen prikkelen, ja de mensen waanzinnig maken. Zeer gevreesd is de blizzard, de grizzly van de plains, die vaak een snelheid van 65 mijl per uur bereikt en als sneeuwstorm de boer de weg kwijt doet raken als hij een paar stappen van huis is, waarna hij ten dode is opgeschreven.” Webb waarschuwt dat er in Dakota sterke temperatuurschommeling zijn, „waardoor men dagen met vier jaargetijden binnen 24 uur kent.” Dat dit niet overdreven is, blijkt uit andere voorbeelden. In Denver (Colorado) daalde op 15 januari 1875 de thermometer in vijf minuten tijds 20 graden; in Bannock City (Montana) steeg zij op 27 december 1894 in zeven uur tijds van 40 graden onder nul tot plus 7,2.

Wie zich als kolonist een stuk grond had verworven aan de frontier moest beginnen met het bouwen van een blokhut en een schuur. Zolang die er niet stonden, moest het gezin wonen en slapen in de huifkarren waarmee het de trektocht had gemaakt. Vooral de schuur was van belang, omdat daar ossen en paarden veilig waren voor de roofdieren die op de vlakten rondtrokken. Bij de bouw kregen pioniers vaak hulp van hun nieuwe buren, die de kersverse landverhuizers ook de kunst van het bouwen zonder spijkers of schroeven leerden. Op de echte prairies was het bouwen van een houten onderkomen vaak niet mogelijk omdat er geen hout was. Daar woonden de kolonisten in plaggenhutten, soms tien jaar of meer langer.

Stalen ploeg

Als eenmaal de behuizing was geregeld, moest het land worden ontgonnen. De zwaarste klus was het perceel vrijmaken van stenen en boomstronken. Daarna was het zaak de grond om te ploegen, waarbij de landverhuizers in de tweede helft van de 19e eeuw het grote voordeel hadden dat John Deere in 1837 de stalen ploeg had ontworpen. Daardoor was het sleuren aan een ploeg voor de trekdieren minder zwaar en kon de grond dieper worden omgewoeld. Na bewerking van de grond zaaide de boer zijn zaad. Wat volgde was afwachten en bidden. Voor veel boeren vielen de eerste oogsten vaak tegen omdat ze onvoldoende rekening hadden gehouden met de watervoorziening die nodig was om het land te beregenen. Met de uitvinding van de windmolen met waterpomp kwam er de mogelijkheid om diep uit de grond water te halen zodat de gewassen konden worden bevloeid.

In de pionierssamenleving speelde de vrouw een belangrijke rol. Zij zorgde niet alleen voor voedsel en kleding, maar trad ook op als huisdokter (artsen waren er nauwelijks) en onderwijzeres. Beide taken verdwenen als er na verloop van tijd in de nabije omgeving een dorpje met een schooltje was gekomen. Verder was het gewoon dat de vrouw haar man hielp bij alle voorkomende werkzaamheden op het land. Veel vrouwen voelden zich volgens Webb erg ongelukkig. „Zo ergens op de wereld, dan moet men hier de vrouwen beklagen, die er niet alleen alles misten, overgeleverd waren aan vuil , eindeloos gesloof en armoede, maar zich nimmer thuis konden voelen in de gruwelijke onzekerheid van die onpeilbare verten, die zich onbeschermd en verlaten voelden in die troosteloze vlakten aan de horizonten waaraan fantastische spiegelbeelden dansten.”

Lang niet alle landverhuizers redden het. Vooral vrouwen hadden last van heimwee. Verder bleken de gaven van de natuur geringer dan was verteld, maar haar plagen velerlei. Misoogsten door te droge zomers zorgden voor grote problemen. Men had ook veel last van ongedierte. Op de prairies gedijden de sprinkhanen die volgens een landverhuizer „alles opaten behalve de hypotheek.” Dat de geldzorgen na verloop van enkele jaren als een loden last gingen drukken, blijkt wel uit de brief van een vrouw uit Nebraska: „We hebben hier drie grote oogsten: de mais, de vrachtbrieven en de rente.”

Teleurgestelde pioniers zagen zich vaak genoodzaakt te vertrekken. Sommigen trokken verder westwaarts, in de hoop dat het gras daar groener was. Anderen besloten de terugreis te aanvaarden. In 1890 zag de staat Kansas bijna de helft van de bevolking terugkeren naar hun geboortestreek. Sommigen van hen hadden het zeil van hun ossenwagen geschreven: „In God we trusted, in Kansas we busted”, wat –vrij vertaald– betekent: We vertrouwden op God, maar in Kansas gingen we ten onder.

serie Wilde Westen

De geschiedenis van westelijk Noord-Amerika, deel 1.