Het drama van Brasil

Een kerkgebouw in de Braziliaanse stad Olinda. De plaats werd in 1630 door de Nederlanders veroverd op de Portugezen. beeld AFP, Christophe Simon
3

Toen de Nederlanden op 30 juli 1669 afstand deden van Brazilië voltrok er zich een drama voor de Brazilianen, die sindsdien alleen stonden in hun vrijheidsstrijd. Uiteindelijk moesten ook zij in 1692 het hoofd buigen voor de Portugese overmacht.

Op het noordoostelijk kustgebied van Zuid-Amerika legden de Nederlanden in 1624 beslag, en in 1630 opnieuw. Zij wisten het Nederlandse gezag er ten koste van zeker 5000 mensenlevens tot 30 juli 1669 te handhaven. Vandaag staat kolonialisme vaak gelijk aan onderdrukking. In het Zuid-Amerikaanse kustgebied lagen de verhoudingen destijds onder het Nederlandse bestuur anders. Er heerste politieke loyaliteit, sociale vrijheid en religieuze diversiteit.

De Nederlanders gaven het gebied de naam Brasil. Het werd niet alleen het land van suiker, tabak, hardhout en kleinschalige slavernij, maar ook van gewetensvrijheid. De bevolkingsgroepen oefenden er hun eigen religie en cultuur uit.

Al vroeg hielden Zeeuwse kerken zich bezig met West-Indië, specifiek met Zuid-Amerika. De ervaren Middelburgse predikant Enoch Sterthemius maakte in mei 1624 de verovering van de stad Bahia of San Salvador mee. De Middelburgse predikant Willem Teellinck en de Zierikzeese dominee Godfried Udemans adviseerden hem Joden en rooms-katholieken groepsgewijs gewetensvrijheid te gunnen. Een jaar later hadden de Portugezen de stad weer in handen en verlieten de Nederlanders het kustgebied, ondanks smeekbeden van de Brazilianen om te blijven. Wel werd er sinds 1625 een stevige band gesmeed met Braziliaanse leiders.

Pijproken

De zilvervloot van Piet Hein betekende een sterke impuls voor een nieuwe expeditie naar Zuid-Amerika. De stad Olinda werd in 1630 veroverd. Vervolgens werd Recife als een heuse stad gevormd in de provincie Pernambuco. Van daaruit breidde het Nederlandse gezag zich uit. Met diverse volken, de Tupinamba’s en de Tapuya’s, werden allianties gesloten die met wederzijds pijproken werden bezegeld. Op basis van wederkerigheid legden de Zeeuwen Paulus van Serooskercke en Johan Gijsselingh met de Amsterdamse Matthias van Ceulen van 1630 tot 1636 het fundament voor een vrije, plurale samenleving van Braziliaanse volken, Joodse en rooms-katholieke Portugezen en Nederlanders, afkomstig uit allerlei Europese landen.

Evenals de kerken wensten de drie bestuursraden alle bevolkingsgroepen tot aanvaarding van het Evangelie te brengen. Tegelijk accepteerden ze met de aanwezige predikanten dat niet elke burger of Braziliaan overging tot de ”ware religie”. In de Nederlandse tijd werkten overheid en kerk coöperatief samen in de door diversiteit gekenmerkte samenleving.

Kerkpolitiek beleid

Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, nam als nieuwe gouverneur in 1637 het kerkpolitieke beleid van zijn voorgangers in Recife over. Hij bouwde de samenleving verder uit en gaf Brasil grootse allure. Daar zijn Braziliaanse deskundigen hem vandaag dankbaar voor. Recife gaf hij een Nederlandse gedaante met schone straten, bruggen en kanalen. Tegelijk nam hij van de Portugezen het instituut van slavernij over. Met als gevolg dat de slavenhandel sinds 1640 op grotere schaal werd gepraktiseerd. Evenals de Portugese suikerheren vond hij slavernij onontbeerlijk voor de economische ontwikkeling van het gebied. Europeanen streefden immers naar winst en weelde. Suikerhandel bracht de compagnie die voor West-Indië was opgericht 8 miljoen gulden op, maar particulieren veel meer: ruim 21 miljoen. Dit gold het ”brazielhout” evenzeer. Het werd verwerkt in huizenbouw en in de schilderkunst nadat het in tuchthuizen was geraspt.

Braziliaanse leiders deelden in het bestuur van hun dorp en regio en noemden zichzelf ”regidoor”. Afrikanen vormden hun eigen compagnie soldaten, en met name de Tapuya’s opereerden er als vrije bondgenoten.

„Ware calvinisten”

Bijzonder veel energie besteedden alle predikanten, ziekentroosters en schoolmeesters aan de evangelieverbreiding en de educatie van Brazilianen in hun dorpen. Dit kreeg een breed effect. Nog in 1692 typeerden de Portugese jezuïeten de Brazilianen die voor het Portugese geweld het gebergte in waren gevlucht als „ware calvinisten.” Dit bleek volgens hen uit de Braziliaanse praktijk van Bijbellezen en corresponderen.

Ondanks militaire verzwakking en aanzwellend gebrek na 1650 zette de brazilianisatie zich voort, zodat er Braziliaanse onderwijzers en predikanten gevormd werden. Voor Brazilianen werd een klassiek gereformeerde verordening ingevoerd die zich toespitste op naleving van gereformeerde zeden ter verwerping van afgoderij en bijgeloof en ten bate van zondagsheiliging en correct huwelijksgedrag. Na de militaire overgave van Recife in januari 1654 vond de Braziliaanse dominee Bartholomeus Heinen zijn werkveld op Java in Oost-Indië.

Classis

Kerken in Oost- en West-Indië kenden in de zeventiende en de achttiende eeuw geen classis. Brasil wel, sinds 1636. Zelfs werd er –tegen de zin van de kerken in de Nederlanden– enkele jaren een Braziliaanse synode samengesteld. Slechts in een enkel geval liet de president van Brasil, Wolter Schonenborch, zijn Groningse insteek gelden door in te grijpen in de kerk. Hij riep predikant Wilhelmus Cammius, afkomstig uit Den Haag, tot verantwoording toen deze zich in preken laatdunkend uitliet over de regering. Cammius wilde afzonderlijke, afgescheiden kerkdiensten en avondmaalsvieringen voor soldaten en krijgsheren. Dit werd hem door overheid en classis kwalijk genomen, waardoor hij gedwongen werd Brasil te verlaten.

Overigens gold de politieke en kerkelijke maatregel van verbanning uit Brasil voor iedereen die zich politiek, sociaal of kerkelijk misdroeg. De Portugese kolonisatie kende de omgekeerde beweging: wie zich in Portugal misdroeg, werd naar Zuid-Amerika verbannen. De Nederlandse kerken en overheid duldden onder geen enkele bevolkingsgroep misdadigers of sociaal onaangepaste mannen, vrouwen of jongeren, al konden ook zij geen samenleving zonder criminaliteit garanderen. Gematigde uitoefening van geweld achtten beide instanties daartoe een gerechtvaardigd instrument.

Slachtoffers

Ondanks een vredesverdrag met de Portugezen in 1642 achtervolgde oorlog de bevolking van Brasil. Dat zorgde voor talloze slachtoffers. Niet alleen vielen er talloze doden op het slagveld en kwamen er velen om bij overvallen en in erbarmelijke omstandigheden, maar ook vervolging eiste haar tol.

Dit ondervond het Braziliaanse stamhoofd Pedro Poti in de regio van Recife in 1649. Na zijn gevangenneming werd hij in een diepe put gedumpt. Tijdens dit donkere verblijf mocht alleen een priester hem benaderen. Poti werd telkens omhooggetrokken en kreeg een crucifix voorgehouden, in de verwachting dat hij er toch voor zou neerknielen. Maar hij weigerde telkens zijn nieuwe, gereformeerde geloof op te geven.

Zijn vriend Anthonio Paraupaba, ook een Braziliaans stamhoofd, stelde Poti’s martelgang op schrift. Poti was toen al gedood. Het verhaal kreeg een plek in Paraupaba’s Remonstrantie, die hij als heftige aanklacht aanbood aan de Staten-Generaal in 1656, en nog weer eens in 1657. Anthonio gaf daarin stem aan de smeekbede van Brazilianen hen te steunen in hun verzet in het heuvelland van Ibiapibi tegen de Portugese machthebbers. In hun Braziliaanse perspectief was het een drama dat Nederlanders het veld ruimden en financieel niet meer investeerden in Brasil. In 1653 waarschuwde ook een delegatie van de regering in Recife de Brazilianen niet net als in 1625 in de steek te laten. Het mocht niet baten.

Afloop

Te laat rijpte in de Nederlandse gewesten het besef dat Portugezen hun religie steeds meer hanteerden als een politiek middel om hun gezag in de Atlantische wereld te handhaven. De Nederlanden hadden daar geen unaniem antwoord op. Bovendien maakten Noord- en Zuid-Holland hun Brasilbeleid afhankelijk van handelswinst en internationale relaties.

De Groningse opvolger van Johan Maurits, Wolter Schonenborch, ondervond daarom na 1650 vanuit de Hollandse Staten weinig steun. De verliezen van veldslagen in 1648 en 1649 konden daardoor met de aanvoer van troepen en oorlogsschepen niet goed worden gemaakt. De gewesten Groningen en Zeeland bleken –hoezeer ze ook voortrekkers van Brasil waren– niet bij machte het financiële gat te dichten dat Noord- en Zuid-Holland openlieten.

Door de militaire verzwakking en nietsontziende religieuze tegenkanting van de Portugezen zag het bestuur geen andere uitweg dan overgave. Het veroorzaakte een wilde paniek onder Brazilianen en Nederlanders, zodat Brasil in 1654 tegen de zin van de Brazilianen militair werd opgegeven.

Er volgde jarenlang politiek getouwtrek, met Brasil als voorwerp van internationale discussie. Het mondde uit in volledige afstand ter wille van Hollandse kooplieden en regenten die onder leiding van Johan de Witt Engeland niet wensten te dwarsbomen in zijn relatie met Portugal. In het politieke overleg speelden Braziliaanse belangen ondanks de Remonstranties amper een rol. Handelscontracten voor zoutwinsten in Portugal en Zuid-Amerika brachten de Staten-Generaal ertoe in 1669 afstand van Brasil te doen.

In de kerken heerste sindsdien alom verontwaardiging over het ”versuymd Brasil”. Zij zagen de inspanningen tenietgedaan. De Groningse synode van 1655 vond het „schandelick” dat duizenden Brazilianen als „liefhebbers van de ware religie” in Portugese handen vielen en dat voor hen de „deure van het evangelie” gesloten werd.

De auteur is in Groningen gepromoveerd op de evangelieverbreiding in Oost- en West-Indië. Van zijn hand verscheen onlangs ”Afscheid van Brasil (1624-1669)” (uitg. Boekscout.nl, 380 blz.).