Geschiedenisles: „Een goed verhaal pakt altijd”

In het Zeeuwse stadje Hulst is in 1645 stevig gevochten. Het Beleg van Hulst was het laatste grote beleg in de Tachtigjarige Oorlog, waarbij het zwaar versterkte Hulst werd veroverd door stadhouder Frederik Hendrik. beeld RD, Sjaak Verboom
4

Geschiedenisdocente Jentine Schipaanboord was in de zomervakantie in Hulst in Zeeland. „Daar is in 1645 stevig gevochten. Ik denk dan direct: Hé, daar kan ik mooi mee beginnen in de tweede klas. Geschiedenis is overal!”

Drie docenten geschiedenis geven bij de start van het nieuwe schooljaar een inkijkje hoe zij hun lessen vormgeven en hoe ze zich voorbereiden op de komende lessencyclus. Naast hun vak hebben ze nóg een overeenkomst: ze hebben er zin in om weer les te gaan geven.

Schipaanboord begint aan haar derde jaar als geschiedenisdocent aan het Driestar College in Leiden, na een aantal jaar economie te hebben gegeven. „Geschiedenis is een verademing, het is toch mijn vak. Je kunt er zo veel in kwijt.” De Leidse docente maakt voordat het schooljaar begint altijd een planning, maar komt in de lessen steevast tijd tekort. „Ik kies bewust bepaalde onderwerpen die ik wil uitdiepen; andere dingen sla ik dan maar over. Ieder jaar neem ik iets anders. Dit jaar wil ik bijvoorbeeld stilstaan bij 3 oktober, het Leids ontzet. Onze leerlingen komen uit de wijde omtrek van Leiden en hebben vaak geen idee waarom de school op die dag dicht is. Dit jaar ben ik van plan om met leerlingen uit de tweede klas hierover een historisch stripboek te gaan lezen en hen te laten controleren of de verhaallijn en de feiten kloppen.”

Ook Wim Huijser, docent aan de christelijke scholengemeenschap Prins Maurits in Middelharnis, is op de eerste schooldag druk bezig met planners en werkwijzers. Er is een basisprogramma waaraan iedere docent zich moet houden, maar daarbinnen is variatie mogelijk. Daardoor is het mogelijk het geschiedenisonderwijs een christelijk accent te geven: „Welke personen haal je voor het voetlicht, welke voorbeelden diep je uit, daar zit toch een keuze in.”

Wilco van Klinken, docent aan de Pieter Zandt scholengemeenschap, locatie Urk, beaamt dat: „Afgelopen jaar heb ik de schoolstrijd uitgebreid behandeld. Niet alleen het verloop ervan, maar ook de tijdgeest erachter, hoe stonden onze voorouders daarin? Het was toen precies honderd jaar geleden dat de Schoolstrijd plaatshad, dus dat kwam mooi uit.”

Identiteit

Geschiedenis blijft bij uitstek een vak waarbij de christelijke identiteit naar voren komt, stelt Van Klinken. Hij verwijst naar Psalm 78. „Daarin gaat het over het handelen van mensen en dat God daardoorheen Zijn plan trekt. Ik probeer dat vaak concreet te maken. Bij de val van Romeinse Rijk vraag ik de leerlingen bijvoorbeeld naar de relatie met het beeld dat Daniël in zijn droom zag.”

Het basisprogramma voor het vak geschiedenis omvat tien tijdvakken, waarbij leerlingen uiteindelijk 49 ”kenmerkende aspecten” moeten kennen en kunnen toepassen. Ieder jaar alles totaal anders doen kan simpelweg niet, ook al niet vanwege de werkdruk. Toch ziet Van Klinken mogelijkheden genoeg voor verdieping: „Soms kun je in vijf minuten een enorm verdiepende laag aanbrengen.”

Digitaal

Echt veranderd is de leerling in de afgelopen jaren volgens de docenten niet. „Pubers zijn niet anders dan vroeger. Ze hebben het hooguit drukker, en krijgen via de digitale kanalen die ze bijhouden veel prikkels, waardoor ze vermoeider zijn”, aldus Huijser. Dat docenten moeten aansluiten bij leerlingen die vooral digitaal ingesteld zijn, spreken de docenten unaniem tegen, ondanks dat ze lesgeven in klassen van vmbo-1 tot vwo-6. Van Klinken: „Ik heb een haat-liefdeverhouding met digitale leermiddelen. Bij geschiedenis leren we kritisch met bronnen omgaan, dat moeten we dus ook op digitaal gebied aanleren. Dat is een van de redenen waarom het vak geschiedenis relevant is: je kunt er zó veel digitale vaardigheden mee trainen. Maar verder leidt een documentaire of een film alleen tot gedachteloos consumeren, daar leren de leerlingen helemaal niks van. Een goed verhaal is en blijft de basis van goed geschiedenisonderwijs.”

Huijser beaamt dat: „Een goed verhaal pakt leerlingen altijd wel. Het klinkt misschien ouderwets, maar een documentaire of film verveelt snel. Natuurlijk gebruik ik bij m’n verhaal wel afbeeldingen of kaarten als ondersteuning.” Digitale middelen zoals onlinevragen bij de geschiedenismethode om de kennis te toetsen en digitaal presenteren worden door de docenten wel volop ingezet.

Tegelijk valt het tegen hoe goed zogenaamde digikids informatie kunnen verwerken. Schipaanboord: „Je ziet het ook aan de manier waarop ze op papier een vraag beantwoorden. Dat blijft van klas 1 tot 6 een vaardigheid die je moet trainen. Dat geldt digitaal niet minder, de leerling moet heel goed weten wat de kern van de vraag is om een goede zoekterm te vinden. En dan moet hij nog bepalen welke sites relevant zijn, en vervolgens welke informatie betrouwbaar is. Op dat punt hebben we hun heel wat aan te leren.’

Nut

In iedere klas komt een keer de vraag waarom er eigenlijk geschiedenis gegeven wordt: „Het is toch allemaal voorbij, die mensen leven allang niet meer”, hoor je dan. Van Klinken, die vooral vmbo’ers lesgeeft, maakt jaarlijks met hen een rondje door Urk en komt dan ook langs het visserijmonument: „Die mensen leven ook niet meer, maar dat monument heeft ons nog wel wat te zeggen. Leerlingen begrijpen dat meteen. Het vertellen van een verhaal geeft ook rust voor de leerlingen. Ze kunnen even gas terug nemen in de hectiek van de dag, reflecteren op wat ze horen en komen dicht bij mensen uit een andere tijd.”

Ook Huijser ziet het reflecteren als een belangrijk aspect van het geschiedenisonderwijs, naast de al genoemde vaardigheden als kritisch bronnengebruik. „Aan de hand van actualiteiten kun je laten zien dat je alleen de wereld om je heen kunt begrijpen als je de geschiedenis kent. Meer nog: niet alleen begrijpen, maar ook je eigen plaats innemen in deze wereld.”

Schipaanboord noemt dit het ontwikkelen van een breed perspectief. „Dat heb je nodig om de wereld te kunnen begrijpen, maar ook om kritisch te kijken naar het nieuws. Wie zegt dit, wat betekent het dat diegene dat zegt, wat vind ik er zelf van? Leerlingen moeten die vragen kunnen beantwoorden. Ik speel daarom bewust weleens voor de tegenstander, zij mogen het best met mij oneens zijn, als ze maar zelf leren nadenken.”

Chronologie

Is het dan wel nodig zo ver terug in de tijd te gaan; heeft een leerling die het heden wil begrijpen het nodig om middeleeuwen, de geschiedenis van Egypte en de klassieke oudheid te begrijpen, om maar wat willekeurige voorbeelden te noemen?

Schipaanboord vindt inderdaad dat er flink in het programma gesneden mag worden: „Het is gewaagd om te zeggen, maar ik denk dat we radicalere keuzes zouden moeten maken. Minder onderwerpen aan de orde stellen en de onderwerpen die we wel doen meer uitdiepen. Van vier paragrafen ingewikkelde dingen erdoorheen jagen, krijgen leerlingen echt geen historisch besef. Dat krijgen ze door diepgang en focus, gecombineerd met feiten die ze kunnen plaatsen. Ik zou graag de Eerste Wereldoorlog wat verder met mijn leerlingen uitdiepen, of het onderwerp Israël-Palestina; om tijd te winnen zou ik van de Tweede Wereldoorlog alleen de politieke lijnen behandelen. Bij het Israël-Palestinaconflict is het belangrijk dat de leerlingen de verschillende visies meekrijgen, niet alleen de opvatting die ze thuis altijd al horen, zodat ze een eigen mening kunnen ontwikkelen en vooral erkennen dat het gaat om een complex probleem.

Zingeving

Huijser en Van Klinken zijn geen voorstander van het schrappen van tijdvakken. Van Klinken: „Geschiedenis is per definitie chronologie, je moet beginnen bij het begin. We geloven met Augustinus dat geschiedenis zich in één lijn door ontwikkelt tot het wereldeinde. Als je thematisch gaat werken en dingen overslaat kun je de leerlingen geen historisch besef bijbrengen.” Huijser vult aan: „In iedere periode, hoe ver die ook van ons af lijkt te staan, blijkt er aandacht voor zingeving te zijn geweest. Denk aan het dodengericht bij de oude Egyptenaren. Mensen hebben altijd al nagedacht over de vraag waarom ze hier op aarde zijn. Het is leerzaam om het daar met leerlingen over te hebben. En als je de eigen tijd wilt begrijpen, moet je toch weten wat ervóór is gebeurd.”