Geschiedenis is een vak dat apart moet blijven

„Het besef van standplaatsgebondenheid is een belangrijk doel van de geschiedenisles.” beeld Sjaak Verboom
2

De Vereniging van docenten geschiedenis en staatsinrichting (VGN) bestaat zestig jaar. Tijd voor een feestje en natuurlijk –hoe kan het anders bij historici– voor een terugblik. Ook voor de toekomst is bij de jubilerende vereniging opvallend veel aandacht.

Zestig jaar geleden leefden we in 1959. In onderwijsland was de Mammoetwet in de maak. Gevreesd werd dat het vak geschiedenis eraan zou gaan, wat een aantal docenten deed besluiten de VGN op te richten. Vanaf het begin leefde er sterke discussie binnen de vereniging: wat willen we eigenlijk met geschiedenisonderwijs? Vertellen we verhalen over personen en gebeurtenissen of leren we leerlingen nadenken over hoe ontwikkelingen in een tijd te plaatsen zijn? En hoe willen we toetsen? Wie na zestig jaar terugkijkt, merkt dat het geschiedenisonderwijs continu in beweging is.

Veranderingen

In Kleio, het tijdschrift van de VGN, wordt uitgebreid stilgestaan bij het jubileum. Carla van Boxtel, hoogleraar vakdidactiek geschiedenis aan de UvA, beschrijft de belangrijkste ontwikkelingen. Waar eerst historische kennis belangrijk werd gevonden, ligt nu meer de nadruk op het productief gebruiken van kennis om verbanden te leggen. Leerlingen krijgen bijvoorbeeld vier begrippen voorgeschoteld –antisemitisme, racisme, fascisme en nationaalsocialisme– en moeten dan beredeneren waarom één van die begrippen er minder bij past. Vaak zijn meerdere antwoorden mogelijk: het gaat om de argumenten die de leerling gebruikt.

Daarnaast is het vak inhoudelijk sterk verbreed: van nationale en politieke naar sociaaleconomische, Europese en koloniale geschiedenis. In dat licht is het onbegrijpelijk dat het vak in de afgelopen zestig jaar op alle niveaus lesuren heeft in moeten leveren.

Een heet hangijzer is het eindexamen. Vanaf 1982 is er sprake van een verplicht centraal schriftelijk examen. Het toetsen van historische kennis blijkt echter lastig: als de hele geschiedenis gekend moet worden, kun je van leerlingen alleen verwachten dat ze globale feiten kennen. En dat levert niet het gewenste historische besef op.

Tot 2010 bestaat het centraal examen daarom uit twee grote thema’s waarvan de leerlingen tot in details op de hoogte moeten zijn. Dat betekent echter dat het complete overzicht wordt gemist. De door de overheid ingestelde commissie de Rooy besluit daarop een overzicht van tien tijdvakken aan te bieden, waarvan de leerlingen 49 kenmerkende aspecten moeten kennen. Ook dit tijdvakkenkader heeft echter z’n nadelen, betoogt Van Boxtel in Kleio: te nationalistisch, te statisch, te weinig oog voor tijdvak overstijgende ontwikkelingen.

Bij de Tijd

Even leek het erop dat de discussies over het centraal examen én over het vak geschiedenis weldra zelf geschiedenis zouden zijn. Onderdeel van de toekomstplannen voor het onderwijs was het laten opgaan van het vak geschiedenis in een algemeen vak als ”Mens en Maatschappij”. De VGN ageerde met alle mogelijke middelen hiertegen. Voorzitter drs. A. A. van der Schans, docent geschiedenis aan Driestar Hogeschool in Gouda: „We hebben enorm veel energie gestoken in het beïnvloeden van dit debat. We schreven drie nota’s ”Bij de Tijd”, waarin we argumenteerden dat geschiedenis echt een apart vak moet blijven. En let wel: als een school vanwege haar onderwijsvisie of om pedagogische redenen, welbewust dus, kiest voor het integreren van vakken, hebben wij daar niets op tegen. Dit mag alleen nooit van bovenaf worden opgelegd. We hebben hiervoor zelfs twee keer op uitnodiging ingesproken bij een vergadering van de betrokken Kamercommissie. Het resultaat is nu dat binnen curriculum.nu toch weer wordt gepraat over geschiedenis als apart vak. Verder overleggen we regelmatig met het ministerie van OCW en met onderwijsorganisaties.”

Ook Christiaan Veldman, geschiedenisdocent aan het Wolfert Tweetalig in Rotterdam, lid van de VGN en christen, vindt het „cruciaal om geschiedenis apart aan te bieden. Alleen zo kan historisch denken en redeneren goed worden aangeleerd. Als vakdocent ben je belangrijk bij het ordenen van kennis en het bieden van structuur en overzicht.”

Wat altijd zal blijven, is de discussie over de inhoud van het vak. Veldman: „Het programma zoals het nu is, vind ik op zich goed. De chronologie van de tijdvakken is belangrijk, die verschaft helderheid en geeft steun. Wel zou meer aandacht voor de plaats van Nederland als koloniaal land goed zijn.”

Veldman won samen met een collega in 2017 de NRO-verbindingsprijs voor leraren met een onderzoek naar identiteit en geschiedenisonderwijs. Hij bedacht een lesvorm aan het begin van het jaar waarbij de leerlingen moeten aangeven welke geschiedenis hen persoonlijk raakt. Dit vanuit de gedachte dat geschiedenis pas interessant wordt als er verbinding is met het persoonlijke leven. „Voor leerlingen is het belangrijk om te begrijpen wat er nu speelt, waar dat vandaan komt, hoe zij, wij, Europa, de wereld gevormd zijn. Ik geef les op een openbare school in een wereldstad, dus de achtergrond van leerlingen is heel divers. Goed geschiedenisonderwijs brengt die breedte aan verhalen en achtergronden in de klas bij elkaar, zonder daarbij het curriculum uit het oog te verliezen. Het huidige curriculum zorgt voor het overzicht, toevoegingen door de docent maken het relevant voor de leerlingen.”

Wilhelmus

Veldmans aanpak past naadloos bij één van de uitgangspunten van de curriculumvernieuwing, zoals de VGN deze presenteert in haar visienota ”Bij de Tijd”. Het naar buiten brengen hiervan bracht een kleine mediastorm teweeg. „Op basisschool ook leren over Atatürk” kopte de Telegraaf, waarna vrijwel alle landelijke media aandacht besteden aan de VGN-notitie. Van der Schans: „De artikelen waren prima, alleen die koppen zijn altijd zo gestreamd, waardoor mensen toch op het verkeerde been worden gezet. Het gaan niet om Atatürk: hij is de metafoor voor een meer internationaal perspectief van de geschiedenisles. Je zult wat moeten doen met het narratief (beeld) dat de leerlingen hebben als ze de geschiedenisles binnenstappen. Niet om dat te koesteren, maar om het te bevragen. Tegelijk leverde deze mediastorm ook mooie aandacht op. Ik werd bijvoorbeeld voor een uitzending van Radio 1 gevraagd, maar moest echt lesgeven op de PABO. Toen werd die les uitgezonden, een half uur lang, waarin mijn studenten het Wilhelmus zongen. Mijn medebestuursleden trekken dan wel wat hun wenkbrauwen op, maar accepteren toch dat ik deze achtergrond heb.”

Volgens Van der Schans is er volop ruimte voor christenen om te participeren in de VGN: „De vereniging is onverzuild, ze is een dwarsdoorsnede van de samenleving. Ik mis wel de inbreng van docenten van reformatorische scholen. Zij zijn niet zo actief betrokken bij het doordenken van de toekomstplannen. Dat zie je trouwens ook breder gebeuren bij de onderwijsvernieuwingen, dat terugtrekken in het eigen koninkrijkje. Dat is jammer. Reformatorische docenten zouden een veel grotere rol kunnen spelen, die ruimte is er binnen de VGN.”

Rol van docent

De VGN pleit er inmiddels ook voor religie te zien als een zelfstandig perspectief, vervolgt Van der Schans. „We willen religie zien als een apart domein, niet alleen maar als een cultureel concept. Aan zulke dingen kun je zien dat je inbreng er echt toe doet. De doordenking van christelijk geschiedonderwijs voor de lespraktijk zal van de docent moeten komen. Hij maakt op dit punt het verschil. Bij elke docent speelt immers de eigen standplaatsgebondenheid mee. Geschiedenisonderwijs is niet neutraal, leerlingen hebben recht op zingeving en duiding. Wat de historicus Van Deursen ooit zei van een historicus, geldt ook voor de geschiedenisleraar: hij moet technisch vermogen (vakmanschap) combineren met visie. Op dit punt blijven Groen van Prinsterer en Van Deursen zelf onovertroffen.”

Veldman: „Leerlingen weten doorgaans dat ik christen ben, ze vragen ernaar. Het besef van standplaatsgebondenheid is een belangrijk leerdoel voor geschiedenisles. Het levert interessante gesprekken op. De vraag naar identiteit is relevant, zeker voor pubers. Maar geschiedenisonderwijs moet verder gaan: zowel de docent als de leerling moeten worden uitgedaagd om zich in te leven in andere en onverwachte perspectieven. Dat is het mooie van het vak.”

Koning bezoekt congres

Op 15 maart organiseert de VGN haar jaarlijkse congres, vanwege het jubileum dit keer met een feestelijk tintje: het wordt gehouden op Slot Loevestein en bijgewoond door koning Willem-Alexander. Voorzitter Van der Schans biedt de koning het jubileumnummer van Kleio aan. Sprekers zijn verder onder anderen vakdidactici Carla van Boxtel en Tim Huijgen. ’s Middags zijn verschillende workshops te volgen.

vgnkleio.nl