Federatief Indonesië was gemiste kans

Rede van Mohammed Hatta, voorzitter van de Republikeinse delegatie, tijdens de Ronde Tafelconferentie in de Ridderzaal, Den Haag 1949. beeld ANP

De dekolonisatie van Nederlands-Indië staat weer volop in de publiciteit. Daarbij wordt vooral de schuld van alle onlusten die daar plaatsvonden bij Nederland gelegd. Tijd om –tegen de stroom in– te kijken of er misschien ook positieve kanten aan het Nederlandse beleid van destijds te melden zijn.

De Nederlandse regering heeft in december 2016 opdracht gegeven tot een onafhankelijk en breed onderzoek naar „het structurele geweld van Nederlandse militairen tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949).” Breed houdt in dat ook het geweld van de nationalisten onder leiding van Sukarno bij het onderzoek betrokken zal worden. Toch geeft de zinsnede ”geweld van Nederlandse militairen” alle aanleiding om te veronderstellen dat het vooral gaat om geweld van Nederland bij de dekolonisatie. Het is zelfs niet uitgesloten dat die opvatting –Nederland is de grote boosdoener– het resultaat van het onderzoek sterk zal beïnvloeden: ze overheerst namelijk in de toonaangevende media.

Toch zijn er, zoals gezegd, positieve kanten aan het Nederlandse beleid van destijds te noemen. Bijvoorbeeld de poging van Nederlandse kant om –tegen de wil van de Indonesische nationalisten in– een Verenigde Staten van Indonesië te realiseren. Was dat gelukt, dan had het terechte streven naar meer autonomie voor deelgebieden zoals de Zuid-Molukken en Nieuw-Guinea kans van slagen gehad.

Nieuwe verhoudingen

In de media overheerst de mening dat Nederland na de Tweede Wereldoorlog uit was op herstel van de oude koloniale verhoudingen. ‘Wij’ wilden immers, zo heet het, ”ons Indië” niet kwijt. Deze opvatting is vooral sinds de jaren zestig van de vorige eeuw trendy gebleven. Maar ze klopt niet. Nederlandse politici waren het er, door de bank genomen, over eens dat er na de Tweede Wereldoorlog nieuwe staatkundige verhoudingen moesten komen, inclusief de eigen verhouding met Nederlands-Indië. Koningin Wilhelmina had dat al in haar befaamde rede van 6 december 1942 aangekondigd. Vanzelfsprekend dienden die nieuwe verhoudingen wel in goede samenspraak tot stand te komen.

Een belangrijk onderdeel van die samenspraak was het streven naar een federale staat Indonesië: een Verenigde Staten van Indonesië (VSI), ofwel Republik Indonesia Serikat (RIS). Deze VSI zouden met Nederland een confederatief verband vormen – een Nederlands-Indonesische Unie. Met name H. J. van Mook, de luitenant-gouverneur-generaal van Nederlands-Indië (1944-1948), toonde zich hiervan een groot voorstander. Het beleid van de opeenvolgende Nederlandse regeringen die betrokken waren bij het dekolonisatieproces was dus in principe goedbedoeld.

Linggadjati

Na de overgave van Japan op 15 augustus 1945 was er in Nederlands-Indië een gezagsvacuüm ontstaan. Er heerste chaos en wanorde en er was sprake van ernstig geweld. In die situatie riepen de nationalisten onder leiding van Sukarno en Hatta op 17 augustus de onafhankelijke Republik Indonesia uit. Maar zij slaagden er niet in de zaak in de hand te houden. In de periode die volgde, de zogeheten Bersiap, vielen er vele duizenden slachtoffers, met name Indische Nederlanders en Chinezen.

Nederland was op dat moment in Indonesië, hoe dan ook, nog altijd de rechtmatige gezagsdrager. Het was daarom niet zo vreemd dat de Nederlandse overheid er in de eerste plaats orde en recht wilde herstellen. Vervolgens kon er dan gewerkt worden aan de beoogde nieuwe staatkundige verhoudingen.

Van Mook trad, voordat de regering de tijd daarvoor rijp achtte, met vertegenwoordigers van de republiek in overleg om tot een oplossing te komen. Daarbij streefde hij naar de vorming van een federatief staatsverband. „Er dient een evenwicht te worden gezocht tussen regionale autonomie en een centraal gezag, wil men voorkomen dat de spanningen tussen het geheel en de onderdelen een vreedzame ontwikkeling verstoren”, stelde Van Mook.

De Nederlandse regering had het denkbeeld van een federale staat omarmd. In mei 1946 trad in Nederland het eerste kabinet-Beel aan. In september dat jaar begonnen in het Javaanse dorp Linggadjati besprekingen met de republikeinen over de toekomst van Nederlands-Indië. Afgesproken werd dat er een soevereine federatiestaat gevormd zou worden: de Verenigde Staten van Indonesië (VSI), en bovendien de Nederlands-Indonesische Unie (NIU).

Militaire actie

Het was spoedig duidelijk dat de meerderheid van de Tweede Kamer dit akkoord niet zou accepteren. Daarom werd het ‘aangekleed’ gepresenteerd, namelijk met een eigen interpretatie, die bijvoorbeeld de mogelijkheid openhield dat er voor Nieuw-Guinea een aparte status zou komen. Dat was reden voor de Tweede Kamer om alsnog akkoord te gaan.

Maar toen zette de jonge Republiek Indonesia de hakken in het zand. Er ontstond ondergronds verzet, met veel doden tot gevolg. Vervolgens ging Nederland op 21 juli 1947 over tot militair ingrijpen: de zogenaamde eerste politionele actie. In januari 1948 kwam er een overeenkomst tussen de strijdende partijen tot stand.

Volgens Nederland schond de republiek keer op keer die overeenkomst en kwam er een tweede militaire actie, die van december 1948. Deze verliep succesvol voor Nederland, maar moest onder zware buitenlandse druk, met name van de VS, worden beëindigd. In april 1949 kwamen er besprekingen op gang tussen de republiek onder leiding van haar minister M. Roem en Nederland onder leiding van diplomaat J. H. van Roijen. Die leidden tot de Van Roijen-Roemovereenkomst op 7 mei 1949, met als resultaat dat in Den Haag een rondetafelconferentie (rtc) werd georganiseerd.

Op de rtc werden de voorwaarden van de soevereiniteitsoverdracht vastgesteld. Zo werd overeengekomen dat Nederland de volledige soevereiniteit over Indonesië zou overdragen aan de VSI. Wel bleven de standpunten van de partijen ten aanzien van Nieuw-Guinea „in geschil.” In een uniestatuut werd de samenwerking tussen Nederland en Indonesië geregeld. Wat betreft het zelfbeschikkingsrecht van de Indonesische bevolkingsgroepen liet Indonesië het bij de verklaring dat „ook haar dat recht ter harte” ging.

De Wet op de soevereiniteitsoverdracht werd op 9 december 1949 in de Tweede en op 21 december in de Eerste Kamer aangenomen. Op 27 december vond ten slotte in Amsterdam de soevereiniteitsoverdracht plaats.

Kort bestaan

Ogenschijnlijk had de republiek de overdracht van de soevereiniteit aan een federatief verband van deelgebieden, de VSI, aanvaard. In werkelijkheid echter was dat niet het geval. De republikeinen waren immers nationalisten: zij wilden een eenheidsstaat. Ze wilden de soevereiniteit overnemen van Nederland over het hele voormalige Nederlands-Indië, inclusief Nieuw-Guinea. Sceptici meenden daarom dat de VSI en de unie geen lang leven beschoren zouden zijn.

En de sceptici kregen gelijk. De soevereiniteit was nog maar nauwelijks overgedragen aan de VSI of er brak een periode aan waarin deelstaatparlementen besloten zichzelf op te heffen. Of ze werden opgeheven onder pressie van het centrale gezag op Java.

Al op 17 augustus 1950, precies vijf jaar na de proclamatie van de onafhankelijkheid van de Republiek, riep Sukarno de eenheidsstaat Republiek Indonesië uit. Daarmee was feitelijk een eind gekomen aan de VSI. Deze federatieve staatsvorm was echter een redelijk alternatief geweest.

Nederlands-Indonesische Unie

Ook de Nederlands-Indonesische Unie (NIU) was geen lang leven beschoren. Met het uitroepen van de Republiek Indonesië eindigde in feite ook de NIU. In het streven van de republiek naar een autonome eenheidsstaat paste geen unie met de andere soevereine partner, Nederland. Sowieso was de positie van Nieuw-Guinea een twistpunt. Pas in 1962 gaf Nederland toe dat ook dit laatste stukje Nederlands-Indië onderdeel van de Republiek Indonesië werd.

Eigenlijk was er na de soevereiniteitsoverdracht van december 1949 een soort koude oorlog ontstaan tussen Nederland en Indonesië, compleet met wederzijdse achterdocht, stevige retoriek en incidenten. De verhoudingen tussen de twee staten waren uitgesproken slecht. Dat de NIU niet levensvatbaar was, was in 1950 al duidelijk geworden. Vier jaar later deelde de Indonesische minister van Buitenlandse Zaken, Sunarjo, mee dat het voortbestaan van de NIU geen nut had. Hij hoopte dat de beëindiging van de unie in goed overleg kon plaatsvinden. Zo niet, dan zou Indonesië eenzijdig de unie verlaten.

Genève

De officiële beëindiging van de NIU kwam ter sprake in combinatie met een overleg over Nieuw-Guinea. Dit gebeurde in december 1955 tijdens een Haagse conferentie die het jaar daarop werd voortgezet in Genève.

De conferentie werd een mislukking. Het slotcommuniqué luidde: „De Nederlands-Indonesische Conferentie is heden beëindigd zonder dat zij erin geslaagd is tot bepaalde afspraken te komen. De Delegaties zijn gestuit op een op het ogenblik onoverbrugbaar gebleken verschil van inzicht omtrent de formulering van een geschillenregeling. De uitvoerige gedachtewisselingen, welke in goede sfeer plaats hadden, hebben bijgedragen tot het begrijpen van de wederzijdse standpunten.” Op 21 februari daaropvolgend werd de band met de unie officieel verbroken.

Op 25 april 1956 werd in Indonesië een wetsontwerp aangenomen waarin alle overeenkomsten van de rondetafelconferentie van 1949 werden opgezegd. De Nederlandse regering voegde daarop via een grondwetsherziening Nieuw-Guinea weer toe aan het gebied van het Koninkrijk der Nederlanden onder de naam Nederlands-Nieuw-Guinea. Dit deel bleef een bron van strijd tussen de twee staten, totdat Indonesië het in 1962 als Irian Jaya (West-Irian) bij de republiek voegde.