Er is kort na de oorlog nauwelijks aandacht voor Joden

Joodse overlevenden van de Holocaust treffen na de bevrijding een Nederland aan dat vooruit wil en niet de moeite neemt zich in de oorlogservaringen van Joden in te leven. Foto: Heropening van de Portugese synagoge te Amsterdam op 9 mei 1945. beeld Nederlands Fotomuseum / Hans Sibbelee
2

Jarenlang dacht ik dat Joden die de Tweede Wereldoorlog hadden overleefd door hun landgenoten vol liefde en aandacht zouden zijn onthaald. Pas toen ik de term ”bewariër” tegenkwam, besefte ik hoe anders het in werkelijkheid gegaan is.

De Nederlandse overheid regelde geen transport vanuit de bevrijde kampen. Sterker nog, ze vroeg kampoverlevenden talloze formulieren in te vullen en gegevens aan te leveren, en weigerde categorisch Joden anders te behandelen dan andere Nederlanders.

Als geen ander weet Gerhard Durlacher (1928-1996) te beschrijven hoe het voor hem was om als jonge Joodse kampoverlevende naar Nederland terug te keren. Zijn ouders overleven de oorlog niet. Een oom en tante nemen hem in huis, maar beschouwen dit als een last – en laten hem dat voelen door hem met eindeloze klussen op te zadelen. Op school krijgt hij weinig begeleiding en begrip voor zijn opgelopen achterstand.

Wanneer hij aanbelt bij zijn vroegere buren, ontdekt hij tot zijn verrassing dat de spullen van zijn ouders nu door hen gebruikt worden. Buurvrouw schrikt wel even, maar verdedigt zich ook. Ze heeft de spullen gered, „bewaard.”

Durlachers verhaal is helaas kenmerkend voor de ervaringen van de meeste Joodse kampoverlevenden. Ze treffen een land dat vooruit wil en geen ruimte heeft om zich in de oorlogservaringen van Joden in te leven – en al helemaal geen ruimte om zich af te vragen of het daar schuld aan heeft. Het besef dat het lijden van het Joodse volk onvergelijkbaar is met wat Nederlanders hebben doorstaan is er niet.

Duitsland

Dat gebrek aan besef voor het specifieke Joodse lijden kort na de oorlog en het ontbreken van aandacht voor de vraag hoe dit heeft kunnen gebeuren, zijn ook terug te zien in Duitsland. Géraldine Schwarz, een Frans-Duitse journaliste, beschrijft in ”De geheugenlozen” de reflectie op het leed dat Joden is aangedaan in deze landen aan de hand van haar familiegeschiedenis.

Haar Duitse opa Karl Schwarz koopt in de jaren dertig een oliehandel van Julius Löbmann, een Jood die zich door de tijdsomstandigheden gedwongen ziet Duitsland te verlaten. Julius overleeft als enige van zijn familie de oorlog en emigreert naar Chicago. Daarvandaan begint hij in 1948 een rechtszaak tegen Karl om alsnog een reële vergoeding voor de oliehandel te krijgen.

Karl begrijpt daar niets van. Hij heeft immers de marktprijs van dat moment betaald, met een door de overheid goedgekeurd contract, in een vriendschappelijke sfeer, alles legaal dus. Karl schrijft op een gegeven moment zelfs aan Julius: „Hoewel wij en vermoedelijk de meeste Duitsers het gruwelijke lot van uw geloofsgenoten niet hebben gewild, moeten we er nu allemaal onder gebukt gaan. Dat blijkt ook uit ons geschil, waarop ik niet had gerekend, aangezien ik u destijds absoluut niets in de weg heb gelegd.”

Illegaal regime

Kleindochter Géraldine concludeert dat haar opa ook jaren na de oorlog niet inziet dat het Derde Rijk van nature een illegaal regime was en dat elke transactie in dat licht bekeken moet worden. Zijn houding is kenmerkend voor Duitse burgers in die tijd. Zij zien zichzelf als slachtoffers, wijzen op hun eigen ellende en armoede. Kortom: zelfbeklag in plaats van schuldgevoel. Deze houding wordt gevoed door de eerste kanselier van West-Duitsland, Konrad Adenauer. Hij wil wel schadeloosstellingen betalen, omdat hij erkent dat in de naam van het Duitse volk veel leed is veroorzaakt, maar wil individuele Duitsers beschermen. Het berechten van Duitsers, ook waar schuld aanwijsbaar is, vindt hij dus ongewenst. „Het moet maar eens afgelopen zijn met dat gesnuffel in het naziverleden”, zegt hij bijvoorbeeld in 1955.

Opa Schwarz kan zich helemaal vinden in dat standpunt. Hij heeft immers niet zelf deelgenomen aan de mishandeling van Joden, hem kan toch niets kwalijk worden genomen? Volgens zijn kleindochter is dat te makkelijk. Er was immers geen bevel om Joodse bedrijven over te nemen, hij had het kunnen weigeren. Maar hij stond, net als zo veel andere Mannheimers, wél in de rij voor de lucratieve aankoop van bedrijven. Daarom is volgens haar onschuldig pleiten niet aan de orde. Voor de generatie die de oorlog heeft meegemaakt is dat een moeizaam te volgen inzicht.

Misdadigersregime

Vanaf de jaren zestig komt er meer aandacht voor het lijden van de Joden onder de nazi’s. Zo wordt er een aantal processen gehouden tegen Auschwitzbetrokkenen. Deze worden massaal gevolgd door Duitse media. Met name jongeren beseffen daardoor dat het Duitse Rijk een misdadigersregime was, waar het opvolgen van bevelen juist niet passend was.

Willy Brandt kondigt bij de start van zijn kanselierschap in 1969 aan kanselier te worden van een bevrijd Duitsland, niet van een verslagen Duitsland. Het illustreert de omslag in het denken die er sinds Adenauers kanselierschap plaatsgevonden heeft.

Volgens Schwarz maken de collectieve aandacht voor de fouten die gemaakt zijn en de erkenning daarvan de huidige democratie in Duitsland zo stabiel. Ze verdedigt deze stelling door Duitsland te vergelijken met andere landen die minder of niet hebben gereflecteerd op hun betrokkenheid bij de moord op de Joden, zoals Oostenrijk en Frankrijk. Daar krijgen rechtse stemmen toch weer veel aanhang, iets wat in Duitsland ondenkbaar lijkt.

Collectieve schuld

Bart Wallet, specialist Joodse studies aan de Universiteit van Amsterdam, onderschrijft deze stelling. „Je kunt inderdaad wel zeggen dat er sprake is van een collectieve schuld van een land, ook voor het Duitse volk. Mensen als Angela Merkel dragen dit naar mijn mening voorbeeldig en waardig uit en het krijgt ook echt handen en voeten, als je bijvoorbeeld kijkt naar haar rol in de vluchtelingenproblematiek. Die collectieve schuld moet je wel onderscheiden van individuele schuld, het idee dat iedere individuele Duitser schuldig is. Er waren bijvoorbeeld grote verschillen tussen regio’s, in antisemitische politiek, in bereidheid Hitler te steunen. En het ging ook heel sluipenderwijs, de nazi’s waren er meester in om te peilen tot hoever ze konden gaan, wanneer ze hun steun zouden verliezen.”

Hoe hebben we in Nederland nagedacht over het grote aantal Nederlandse Joden dat de oorlog niet heeft overleefd? In eerste instantie is er weinig aandacht voor het Joodse lijden, moeten ze ‘gewoon doen’, zoals Durlacher beschrijft. Door de uitzending van de televisieserie ”De Bezetting” in de jaren zestig komt de oorlog terug in de belangstelling.

Presser

De publicatie van ”Ondergang” door Jacques Presser in 1965 zorgt ervoor dat het lot van Nederlandse Joden op het netvlies komt. In een jaar tijd worden maar liefst 100.000 exemplaren van het boek verkocht. Presser legt de vinger bij het meewerken van ambtenaren en bedrijven en de gelatenheid van de omstanders. Zijn publicatie is het begin van een stroom aan studies die tot op heden voortduurt: over de rol van omstanders, over wat we hadden kunnen weten, over de rol van de overheid.

In eerste instantie worden daden sterk langs de morele meetlat van ”goed” of ”fout” gelegd. Dit verandert wanneer Hans Blom, de latere NIOD-directeur, bij zijn oratie in 1983 pleit voor een neutrale benadering, omdat oordelen niet altijd inzicht geeft in de redenen waarom mensen handelden zoals ze deden. Dat is wat anders dan zeggen dat het niet uitmaakt hóé mensen gehandeld hebben.

Dat maakt ook minister-president Rutte duidelijk in de excuses die hij in januari 2020 namens de Nederlandse regering aanbiedt aan de Joodse gemeenschap. „Te veel Nederlandse functionarissen voerden uit wat de bezetter van hen vroeg”, zegt Rutte. „De bittere consequenties van registratie en deportatie werden niet tijdig en niet voldoende onderkend.” Nederland is een van de laatste West-Europese landen die met excuses komen.

Géraldine Schwarz zoekt de verklaring voor het hoge aantal omgekomen Joden in de wens van Nederlanders tot samenwerken en consensus. Het polderen waar Nederlanders zo trots op zijn, heeft in de Tweede Wereldoorlog juist de groep die de meeste bescherming nodig had, in de kou laten staan. Zo keert de hang naar consensus zich tégen mensenrechten, vrijheid en democratie, stelt ze.

Kritiekloos vertrouwen

Bart Wallet nuanceert dat enigszins: „Zoeken naar consensus is geen probleem, samenwerken is prima. Het kritiekloze, grote vertrouwen in de overheid, dat zie ik meer als gevaar. Er moet wel een kritische toets blijven of meewerken inderdaad het beste is. Als die ontbreekt gaan ambtenaren bijvoorbeeld bevolkingslijsten leveren. Dat dit kritisch denken nodig is, zie je terug in het soort mensen dat vooral in het verzet heeft gezeten. Dat zijn communisten en gereformeerden, mensen met ruggengraat.”

Wat dat betreft is er een les voor nu te leren, nu noodverordeningen boven mensenrechten gaan. Wallet: „We hebben behoefte aan mensen die geworteld zijn, die een moreel framework hebben. Je ziet de laatste tijd dat kiezers alle kanten op zwalken, van links naar rechts. Dat lijkt me een veel groter probleem dan de consensuspolitiek.”

Dit is het vierde en laatste deel in een serie over de Jodenvervolging.