Elk jaar weer ongemak om Srebrenica

Als lid van de Tweede en Eerste Kamer én als minister van Defensie kreeg Eimert van Middelkoop (GPV/ChristenUnie) te maken met Srebrenica. Een terugblik, een kwarteeuw later, in vier episodes.

Eerste episode: najaar 1993

Op 27 november 1993 besloot de Tweede Kamer in te stemmen met het zenden van Nederlandse militairen naar ”veilig gebied” Srebrenica. GPV-Kamerlid Eimert van Middelkoop stemde er ook mee in, ondanks zijn grote bedenkingen.

„Geen twijfel mogelijk, ik ben medeverantwoordelijk voor de uitzending van militairen. Ik herinner me nog mijn opwinding van dat weekend, toen ik hoorde welk besluit het kabinet had genomen. We gingen naar een plek, ergens in Bosnië, waar we nog nooit van hadden gehoord. Het was een uiting van gezindheidspolitiek. Dat paste helemaal in het klimaat van die tijd. Goede bedoelingen stonden voorop in de afweging om „iets te doen” aan de oorlog in de achtertuin van Europa. Zo zijn we er in verzeild geraakt.

Met de kennis van nu zouden we het een onverantwoord besluit vinden. Later hoorde ik dat de militaire verkenners niet eens ter plekke zijn geweest. Ik oordeel daarover niet zwaar, het was één grote leercurve. Het leerproces heeft ertoe geleid dat de rol van de Tweede Kamer bij uitzending van militairen naar conflictgebieden sterk is toegenomen.

Het is van belang oog te hebben voor het internationale decor waartegen het besluit om naar Srebrenica te gaan werd genomen. Dat decor was er een van oplopende frustratie. De internationale troepen waren in Bosnië om vrede te bewaren, maar er was geen vrede. De militairen hadden onvoldoende mandaat en geweldsmiddelen om het gebied ”veilig” te houden. Ondertussen werden er VN-voedselpakketten afgepakt en werden de VN-militairen belachelijk gemaakt.

In meer brede zin was er na de val van Muur, in 1989, een klimaat ontstaan van humanitaire acties, waarbij blauwhelmen van de VN vrede moesten brengen. Ook in Nederland, waar een paar jaar later de opkomstplicht van het leger werd afgeschaft en een professionele krijgsmacht werd opgetuigd, hing die sfeer. Deze episode heeft ons als politiek en samenleving ook geleerd om te gaan met militaire slachtoffers in de strijd voor de vrede. Dat is toen begonnen in Bosnië.”

Tweede episode: april 2002

In de week van 18 tot 25 april 2002 was Van Middelkoop voorzitter van de voorbereidingscommissie om een parlementaire enquête te houden naar de val van Srebrenica. Op 10 april 2002 was het kabinet-Kok II afgetreden vanwege de conclusies van het 6600 pagina’s tellende NIOD-onderzoek naar het drama.

„Het kabinet was door zijn hoeven gezakt. Het NIOD had veel feiten op een rij gezet, maar een enquête was nodig om tot een politieke afronding te komen. Als bijzondere commissie besloten we niet het NIOD-onderzoek over te doen, maar wel sleutelactoren in het openbaar te verhoren. Dat zou een toegevoegde waarde hebben. De enquêtecommissie kwam er.

Een half jaar later werd ik als oud-woordvoerder gehoord. Ik wist dat voorzitter Bert Bakker aan iedereen de vraag stelde: „Wilt u zelf nog iets te berde brengen?” Ik heb lang geaarzeld, maar ik heb in de auto op weg naar Den Haag besloten iets te zeggen vanuit mijn hart. Premier Wim Kok zei bij het aftreden van zijn kabinet dat hij verantwoordelijkheid wilde nemen, maar dat Nederland niet schuldig was aan de genocide. Wat zeg je daarmee? De Verenigde Naties hadden beloofd Srebrenica als ”veilig gebied” te beveiligen. Nederland zou dat uitvoeren. Ons land heeft die belofte niet waargemaakt. Dan ben je tekortgeschoten, dan sta je schuldig.

Voor mij was het bevrijdend dat voor de enquêtecommissie hardop uit te spreken. Ook in de wetenschap dat de Nederlandse politiek heel moeilijk omgaat met schuld en verantwoording. Ik denk dan ook aan de zogeheten politionele acties in voormalig Nederlands-Indië. Later kreeg ik een brief van de vrijgemaakt-gereformeerde hoogleraar theologie Jaap Kamphuis die zijn waardering uitsprak dat ik de schuldvraag had benoemd en neergelegd. Zijn brief deed me goed.”

Derde episode: juli 2010

Op 11 juli 2010 ging Van Middelkoop, op dat moment demissionair minister van Defensie, naar Srebrenica om, namens de Nederlandse regering, deel te nemen aan de herdenking van de genocide.

„Minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken was druk met de formatie van een nieuw kabinet. Hij vroeg mij om Nederland te vertegenwoordigen. Bij de herdenking stond ik naast Boris Tadic, destijds president van Servië. Ik vond het wel moedig van hem dat hij erbij was als gebaar van goede wil. Hij werd uitgefloten.

Toen ik op het ministerie kenbaar maakte dat ik naar de herdenking zou gaan, kwam er binnen een half uur een hoge militair naar me toe met het verzoek niet af te reizen. Ik zei: ik ga toch. Zo laat je zien dat Nederland als staat niet voor zijn verantwoordelijkheid wegloopt.

Tijdens die herdenking trof ik verschillende oud-Dutchbatters aan die daar als vrijwilliger meededen aan hulpverleningsprojecten. Dat vrijwilligerswerk is typisch Nederlands. Ze vonden het fijn dat ‘hun’ minister er was.

Ik heb toen in de media gezegd dat de internationale gemeenschap verantwoordelijk is. Het was de VN die troepen stuurde met een slecht mandaat en beroerde commandovoering. De VN was verantwoordelijk voor de uitzending van de blauwhelmen. Bij een zware aanval van de Serven konden die VN-militairen, ook Dutchbat III, niet anders dan zich overgeven. Op dat moment was dat verstandig, maar óók vernederend. Met mijn uitspraak bij die herdenking wilde ik tegengas bieden aan de Nederlandse neiging om alle schuld van het drama naar zich toe te trekken.”

Vierde episode: juli 2020

Het is 11 juli 2020, een kwart eeuw na de genocide in Srebrenica. De val van de enclave en de Nederlandse betrokkenheid maakt deel uit van de Canon van Nederland.

„Het is goed dat deze kwestie in de canon is opgenomen. Als er genocide wordt gepleegd en je bent erbij en je schiet tekort, dan is er verlegenheid. Dat mag je niet verzwijgen. Zo is Srebrenica een duidelijk markeringspunt van een humanitaire periode waarin voortdurend een beroep is gedaan op de krijgsmacht om in te grijpen. Overigens is er twintig keer meer reden om de genocide in de canon van Bosnië op te nemen.

Ik ervaar verlegenheid als ik de beelden weer zie van generaal Mladic en overste Karremans, dat is vernederend. Als land zijn we niet in staat geweest datgene te doen waarvoor we gekomen waren. Dat is geen geringe zaak. Vooral als je weet dat er rauwelijks 10.000 mannen zijn vermoord. Wíj hebben dat niet gedaan, maar we waren wel in de buurt. Dat geeft een enorm ongemak, ook bij mij. Elk jaar op 11 juli merk ik dat weer.”