Eerste gijzelingsactie Molukkers: Wassenaar 1970

Molukse gijzelnemers worden met politiebusjes afgevoerd nadat ze de bezetting van de residentie van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar hebben beëindigd. Vijftig jaar na dato houden ze in Vught een reünie. beeld ANP
6

Twee markante momenten in de Molukse gemeenschap een halve eeuw geleden: het Commissariaat Ambonezenzorg werd opgeheven en de eerste gijzeling werd op touw gezet. De bezettingsactie in Wassenaar bleek een katalysator voor tal van ontwikkelingen in deze bevolkingsgroep.

Enkele minuten voor half zeven klinkt het in de auto: „We naderen ons doel, allen klaarmaken!” Vuurwapens worden op scherp gesteld. Even later rennen 33 Zuid-Molukse jongeren over het gazon naar de woning van de Indonesische ambassadeur. De eerste van een reeks terreuracties op Nederlandse bodem.

Aanleiding is het komende staatsbezoek van de Indonesische president Soeharto. Die was ruim vier jaar geleden betrokken bij de executie van de Molukse president-in-ballingschap, Soumokil. En nu blijkt de dictator welkom in Nederland. De Molukkers zijn woedend. Ze willen aandacht voor hun zaak. Ze willen dat Soeharto in gesprek gaat met Soumokils opvolger, Manusama.

Drieëndertig jongeren verzamelen zich op 31 augustus 1970 in Wassenaar op de hoek Rijksstraatweg-Kerkeboslaan. Ze stormen naar de ambassadeurswoning. De 28-jarige hoofdagent Hans Moolenaar heft in een reflex zijn geweer, maar de aanvallers zijn sneller. Een schot klinkt; de agent zakt dood in elkaar. Dat was niet de bedoeling; de actie moest zonder bloedvergieten verlopen. Moolenaar is het enige slachtoffer.

De ambassadeur ontsnapt, zijn vrouw, hun twee kinderen en vijf personeelsleden worden gegijzeld. De bezetters hebben er weinig goede woorden voor: wie laat zijn vrouw en kinderen nou in de steek?

Argeloos

Nog geen twaalf uur duurt de actie. De beelden werden legendarisch, vooral door de onschuld ervan: premier De Jong en minister Luns van Buitenlandse Zaken komen eens rustig poolshoogte nemen. Luns klimt over het hek. Althans, dat is de bedoeling, maar het hek knakt onder zijn gewicht en de minister moet moeite doen overeind te blijven. Hij struikelt door de struiken. Ook president Manusama gaat het hek over. Dan stappen ze op de villa af. Ongewapend, terwijl de terroristen hen vanuit een bovenraam en vanachter terrasmuurtjes in het vizier hebben.

De bemiddeling heeft geen succes. De jongeren dreigen gijzelaars te zullen doden. Dan komt ds. S. Metiary, die een centrale positie onder de Molukkers inneemt, met de gijzelnemers praten. Ze geven hun actie op en leveren hun wapens in. De mannen worden gefouilleerd, roepen strijdkreten, maken het V-teken of steken hun vuist omhoog en stappen in de politiebusjes. Honderden verslaggevers kijken vanaf korte afstand toe, onbeschermd. Nederland heeft nog geen ervaring met terreur.

Razzia

De gijzelnemers krijgen een jaar cel. Hun doel is voor een deel bereikt: hun actie trekt wereldwijd de aandacht. Soeharto komt wel naar Nederland, maar twee dagen later en korter dan gepland. De eis dat hij met Manusama in gesprek gaat, wordt niet ingewilligd. Wel spreekt het kabinet op 7 oktober met de leider van het Molukse volk, met de belofte daarvan verslag te doen richting de Indonesische regering.

Op 15 oktober vallen 1100 politiemannen –met pantserwagens en gesteund door helikopters en een marineschip– kamp IJsseloord in Capelle aan den IJssel binnen. Een jonge bewoner schreef later dat het op school gonsde van de geruchten. „Bij ons, de Molukse leerlingen, heerste onrust en bezorgdheid over onze moeders en de jongste kinderen die nog thuis waren. We reageerden verontwaardigd: ”Durven ze wel, die schoften. Een inval plegen terwijl de vaders aan het werk zijn!” Toen ik thuis aankwam, was het huis vol met agenten. Alles was overhoop gehaald en mijn moeder probeerde de puinhoop op te ruimen.”

De zoektocht naar wapens levert slechts enkele kapmessen en een oud pistool op. Twee jonge mannen worden gearresteerd vanwege hun betrokkenheid bij de gijzeling in Wassenaar.

De politieactie –een razzia, volgens de ruim 750 bewoners van het omsingelde kamp– zet veel kwaad bloed. „We worden behandeld als paria’s en we zullen ons zo gaan gedragen ook”, zeggen jongeren.

Kapingen

Ze zetten nieuwe acties op touw, langduriger en vooral met meer geweld; meer slachtoffers ook. Voorjaar 1975 mislukt een poging koningin Juliana te gijzelen. Van 2 tot 14 december in dat jaar wordt bij het Drentse Wijster een trein gekaapt. De zeven gijzelnemers eisen publicatie van hun ideeën, vrijlating van Molukse gevangenen en vrije aftocht per bus en vliegtuig. Van 4 tot 19 december wordt ook het Indonesische consulaat in Amsterdam bezet. Bij de twee gijzelingen vallen in totaal vier doden.

In 1977 is er weer een treinkaping, en weer in Drenthe. Bij De Punt zetten negen Molukkers op 23 mei een intercity stil. Vrijwel tegelijkertijd bezetten vier anderen de openbare lagere school in Bovensmilde. Het leger beëindigt de acties met geweld. Dat gebeurt ook –en veel sneller– als drie Molukse jongeren op 13 maart 1978 het provinciehuis in Assen bezetten. De daders die hun actie overleven, verdwijnen in de cel.

Keerpunt

De stormloop op de residentie in Wassenaar zette veel in gang, zegt prof. dr. Fridus Steijlen, onderzoeker van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) in Leiden. In 2017 stelde de Vrije Universiteit te Amsterdam hem aan als eerste hoogleraar Molukse geschiedenis.

In die geschiedenis waren de gebeurtenissen van 50 jaar geleden een keerpunt. De meerderheid van de Molukkers in Nederland stond achter de actie, zegt Steijlen. „Ze waren bijna twintig jaar in Nederland zonder dat hun ideaal, een vrije republiek, naderbij kwam. Nu klonk een krachtiger geluid dan in de achterliggende decennia.”

De aankondiging van Soeharto’s staatsbezoek bracht meer eenheid onder het Molukse volk: „Het was verdeeld in aanhangers van Manusama, aanhangers van zijn rivaal Tamaëla –die zich vanaf 1969 president noemde– en mensen die geen partij wilden kiezen. In die laatste groep ontstond het idee Soeharto een warm onthaal te bereiden. De ordediensten van Manusama en Tamaëla hoorden dat en trokken het initiatief naar zich toe.”

Drie acties werden bedacht: de residentie van de ambassadeur in Wassenaar zou worden bezet, het Indonesisch consulaat in Amsterdam en de ambassade in Den Haag. Van de acties in Amsterdam en Den Haag zagen de Molukkers echter af, ook omdat de politie door de gijzeling in Wassenaar waakzaam was.

Wakkergeschud

De actie in Wassenaar duurde kort en de aanpak door de Nederlandse regering was amateuristisch: een bewindsman persoonlijk op gewapende terroristen afsturen, en nog wel ongewapend – het idee zou elke ervaren veiligheidsdienst de haren ten berge doen rijzen. Maar de gijzeling bracht wel iets teweeg, zegt Steijlen. De Molukkers waren er trots op; ze hadden een daad gesteld en het bezoek van Soeharto voor een deel verhinderd.

De actie schudde Nederland wakker: „Men bekommerde zich niet meer alleen over de normalisatie van de relatie tussen Molukkers en de Nederlandse samenleving, maar ging ook nadenken over de relatie tussen de Molukkers en Indonesië. Indonesië vond het in eerste instantie een Nederlands probleem, maar wilde later toch meewerken.” De onderhandelingen leidden in 1975 tot het geheime Akkoord van Wassenaar. Daarin werd onder andere geregeld dat Molukkers naar de Molukken konden reizen.

Door de oprichting van culturele centra probeerde de Nederlandse regering intussen de sociaal-economische positie van de Molukkers te verbeteren. Tegelijk kwamen er nieuwe Molukse acties; ook dát had de gijzeling van 1970 in gang gezet. „Die eerste actie was tegen Indonesiërs gericht. Rond 1974 ontstond de gedachte dat ook Nederlanders er object van konden zijn: de Molukkers vonden dat de Nederlanders hun ouders verkeerd hadden behandeld, zich onvoldoende voor de RMS hadden ingezet en geen rekening met de Molukkers hielden toen ze Soeharto uitnodigden.” Opeens was daar in 1975 de volgende actie: bij Wijster werd een trein gekaapt. Onder de gijzelnemers waren jonge mannen die vijf jaar eerder zouden deelnemen aan de bezetting van het Amsterdamse consulaat.

De druk op de Nederlandse regering werd opgevoerd en dat leidde er mede toe dat er meer aandacht kwam voor de onvrijheid op de Molukken en de leefomstandigheden van de Molukkers in Nederland. Het geweld leidde echter tot discussie: „De acties in 1970 en 1975 werden binnen de Molukse gemeenschap massaal gesteund. In 1977 was dat al aanzienlijk minder en de gijzeling in het provinciehuis in 1978 werd door velen afgekeurd.”

Trots

De nog in leven zijnde deelnemers aan de bezetting van de ambassadeurswoning houden dit jaar voor het eerst een reünie: tijdens een besloten bijeenkomst in Vught staan ze stil bij de strijd voor de RMS.

De Molukse gemeenschap telt nu ruim 50.000 mensen. Van hen woont nog maar 40 procent in de Molukse wijken: die zijn na de eerste aanleg niet meer uitgebreid en een deel van de bevolkingsgroep kiest er bewust voor zich elders te vestigen.

Velen zijn nog steeds enigszins trots op de acties uit de jaren zeventig, zegt Steijlen. „Niet op het feit dat er slachtoffers vielen, wel op het feit dat het volk zijn stem liet horen. De Molukkers namen wapens ter hand om de RMS dichterbij te brengen. Ze vinden dat je de acties moet zien in de context van toen.”

Het ideaal van een zelfstandige republiek beleven ze heel verschillend, zegt de antropoloog. „Een deel van de gemeenschap ziet het als een politiek ideaal, het is vooral ook een deel van hun identiteit en geschiedenis.”

Op 25 april, 70 jaar na het uitroepen van de RMS, werd op de Molukken her en der de verboden RMS-vlag gehesen en liep men ermee naar een politiebureau. Dat leidde tot solidariteitsacties in Nederland. „Op zulke momenten zie je dat men uiting geeft aan de verbondenheid met de Molukken.”

Niet langer tijdelijk

In 1952 ging de opvang van de Molukkers over van de Hoofdleider Ambonese Woonoorden In Nederland (HAWIN) naar een nieuwe rijksdienst, het Commissariaat van Ambonezenzorg (CAZ). Het moest onder meer huisvesting, onderwijs en sociaal werk regelen.

Op 1 januari 1970 werd het CAZ opgeheven. Omdat de overgang naar de Molukse wijken, vanaf begin jaren zestig, al behoorlijk gevorderd was, was een speciale dienst als het CAZ overbodig geworden en werden de taken overgedragen aan de afdeling Molukkers van het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM).

Radicalisering

Na de onafhankelijkheid van Indonesië werd in 1950 het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) opgeheven. Molukkers die niet tot de nieuwe Indonesische republiek wilden behoren, riepen op 25 april 1950 een soevereine staat uit, de Republik Maluku Selatan (RMS). Indonesië drukte het initiatief echter de kop in.

Zo’n 3500 KNIL-militairen die nog niet waren teruggekeerd naar de Molukken, steunden de RMS. In 1951 werden zij met hun gezinnen (in totaal 12.500 personen) tijdelijk naar Nederland gehaald. Ze werden ondergebracht in de voormalige concentratiekampen Vught (voortaan Lunetten genoemd) en Westerbork (Schattenberg) en in 69 andere woonoorden. Ze werden uit militaire dienst ontslagen. Ze mochten wel werken, maar dat werd niet gestimuleerd.

In 1956 werd de zelfzorgregeling van kracht: een snelle terugkeer stond niet langer voorop, dus de Molukkers moesten in hun eigen onderhoud gaan voorzien. De regering bouwde vanaf 1960 zo’n zestig woonwijken voor de Molukkers, maar het duurde nog tal van jaren voordat de kampen waren ontruimd.

De spanningen liepen hoog op en Molukse jongeren gingen over tot gijzelingsacties om aandacht voor de situatie van hun volk te vragen. Hun ouders hadden zich gezagsgetrouw opgesteld, maar zij pikten het niet meer. Toen verzetsleider (”president”) Soumokil in 1966 door Indonesië werd omgebracht, week diens weduwe uit naar Nederland. In de nacht na haar aankomst gooiden Molukse jongeren brandbommen naar binnen in de Indonesische ambassade.

De radicalisering werd geïnspireerd door bevrijdingsbewegingen elders in de wereld. De Amsterdamse hoogleraar dr. J. J. M. van Amersfoort besteedde in 1971 in zijn onderzoeksrapport ”De sociale positie van Ambonezen in Nederland” veel aandacht aan de moeizame verhoudingen tussen leiding en achterban.

Dieptepunt was de treinkaping bij De Punt in 1977. De regering beëindigde die met geweld, waarbij twee treinpassagiers en zes gijzelnemers om het leven kwamen. De regering kwam in 1978 met de Molukkersnota: maatregelen op terreinen als onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting en welzijn om de maatschappelijke achterstand te verkleinen.