De meeste cowboys hadden iets op hun kerfstok

Geen enkele figuur uit de Amerikaanse geschiedenis is zo geromantiseerd als de cowboy. bron National Archives College Park

Veel behoefde een cowboy niet in huis te hebben. „Als hij maar kan paardrijden en niet bang is. Hij moet wat durven”, zei rancheigenaar Henry Hooker in 1880 tegenover de Saturday Evening Post.

Aan een antecedentenonderzoek hadden de veeboeren in het westen van Amerika geen behoefte als er zich een nieuwe kandidaat voor het hoeden van hun vee had gemeld. Bijna elke veehandelaar wist wel dat de meeste cowboys iets op hun kerfstok hadden. Maar dat boeide hen niet. Het ging de vee-eigenaren erom dat de bewakers van de kudde tegen hun taak waren opgewassen. Hooker: „Wij nemen iemand aan zonder vragen te stellen. Zodra hij zijn paard zadelt, weten we of hij zijn vak verstaat of niet. Veel van onze meest waardevolle mannen hebben zo hun fouten gemaakt in hun leven. Het enige waar we ons druk over maken, is of ze het harde bestaan aankunnen. Kunnen ze zestig uur achter elkaar in het zadel zitten en een kudde in toom houden die telkens weer op hol wil slaan?”

Van de romantiek die later in verhalen en films het leven van cowboys zou versieren, was midden 19e eeuw nog niets te bekennen. „Het leven is hard, ongewis en vol gevaren”, zei Hooker. „Alleen desperado’s en durfallen wagen het om cowboy te worden.”

Bikkels

Koeienhoeders, hetgeen de cowboys feitelijk waren, kende men in het zuidwesten van Amerika allang, maar pas halverwege de 19e eeuw ontstond de gespecialiseerde groep van langeafstanddrijvers die de geschiedenis in zouden gaan als de cowboys – de bikkels van het ruige westen. Het was hun taak om grote kuddes vee, meestal van zo’n 3000 beesten, vanuit het zuiden van de staat Texas naar het noorden te drijven. In de staat Kansas waren langs de pas aangelegde spoorlijnen zogenoemde veestations ontstaan, waar de koeien dan op de trein werden gezet om vervoerd te worden naar de slachterijen in Chicago of – verder– aan de oostkust. Door de verstedelijking van die gebieden was de vraag naar vlees daar explosief gestegen. Jaarlijks werden er vanuit Kansas ongeveer 500.000 koeien vervoerd naar plaatsen als Boston, New York, Baltimore en Philadelphia.

Voor veehandelaren was dit lucratief. Een rund dat op de veemarkt in Texas 4 dollar kostte, bracht bij verkoop aan de vleesindustrie aan de oostkust 40 dollar op. Kosten had de vee-eigenaar nauwelijks. De magere koeien vraten zich tijdens de 1000 kilometer lange tocht vanuit Texas naar het afhaalstations in Kansas vet, zodat ze de lange treinreis konden doorstaan en bij aankomst bij de slachterijen goed in het vlees zaten.

De runderen die ”de grote trek naar de slacht” maakten, waren vooral de zogenoemde longhorns. Deze stamden af van vee dat in de 16e eeuw door de Spanjaarden naar Mexico was gebracht. In de loop van de volgende drie eeuwen hadden deze runderen zich goed aangepast aan het dorre klimaat van Mexico en Texas. Ze konden lang zonder water en waren gewend aan het grazen en lopen door ruig landschap.

De longhorn, waarvan er nu nog een beperkt aantal leeft op de prairies van Texas, staat hoog op zijn poten. Kenmerkend zijn de lange, ver uitstaande hoorns die soms een spanwijdte van 1,70 meter kunnen bereiken. De gemiddelde schofthoogte van een stier is 130 centimeter, van een koe 120 centimeter. Het gewicht van een stier ligt rond de 600 kilo en van een koe tussen de 350 en de 400 kilo. Juist deze runderen werden in de tweede helft van de 19e eeuw bij duizenden gevangen in het wild en later gefokt, om in het oosten van de VS door het slachtmes aan het eind van hun bestaan te komen.

De enige taak van een cowboy was om „de runderen van 4 dollar met de markt van 40 dollar te verbinden.” Hun werk begon met het verzamelen van zo veel mogelijk beesten, die doorgaans vrij graasden op de vlakten van Texas. Wanneer er ongeveer 3000 beesten waren samengebracht, wachtte het wrede brandmerken. Elke koe kreeg met een gloeiend ijzer een stempel op de schoft gedrukt waarmee de veehandelaar het beest tot zijn eigendom verklaarde. Daarna begon de lange reis naar het noorden.

Stofwolken

Bij het opdrijven van de kudde was het de kunst om de beesten de goede richting uit te krijgen en ze tegelijk bij elkaar te houden. Voorop gingen de twee meest ervaren cowboys. Zij stippelden de route uit en bepaalden het tempo. Per dag legde een kudde gemiddeld 25 mijl af. Aan beide flanken reden vier cowboys die moesten voorkomen dat de kudde te veel uitwaaierde. Achteraan volgden twee jonge, onervaren cowboys die nog veel moesten leren. Zij hadden het het zwaarst, want de stofwolken die het vee deed opwaaien maakten het werk van de achterhoede erg moeilijk. „Als de dag voorbij was, gingen deze twee jongens naar de waterton om hun mond te spoelen en de zwarte smurrie uit hun keel op te hoesten. Maar je kon het nooit helemaal uit je longen krijgen”, schreef de voormalige cowboy Teddy Blue jaren later.

De trek duurde doorgaans van vier uur ’s morgens tot acht uur ’s avonds. Daarbovenop moest elk lid van de groep tussen negen uur ’s avonds en drie uur ’s morgens twee uur de wacht houden. De gevaren ’s nachts waren immers groot. Koeien konden gaan dwalen, prairiehonden en wolven konden de dieren opjagen en –vooral– onweer kon veel narigheid brengen.

Wanneer dat losbarstte (hetgeen veelvuldig gebeurde) was het risico dat de runderen alle kanten opgingen. Dat betekende dat alle cowboys te paard moesten. De tactiek was dat ze met elkaar in een wijde boog om de kudde heen gingen rijden en dan de cirkel steeds kleiner maakten, zodat de runderen uiteindelijk als een kluit op elkaar stonden.

Vooral tijdens die acties was het voor cowboys oppassen dat hun paard niet struikelde waardoor de ruiter uit het zadel viel en vertrapt werd door de opgejaagde runderen. „Op bijna elke trek komt ongeveer 20 procent van de cowboys op deze manier om het leven”, vertelde Henry Hooker aan de Saturday Evening Post.

Veedieven

Een aparte vijand was de mens. Berucht waren lokale veedieven, die vooral ’s nachts probeerden een groep koeien van de kudde los te maken en weg te leiden. Met dergelijke nachtelijke rovers maakten de cowboys korte metten. „Twee pistolen zijn genoeg om bisons, wolven en boeven op afstand te houden”, schreef Teddy Blue.

Naast de gewone cowboys waren er een opzichter, de zogenoemde trailboss, een paardenverzorger en een kok. Het voedsel en het kookgerei werden in een speciale wagen bewaard, de chuck wagon. ’s Avonds reeds de kok vaak vooruit om het eten op tijd gereed te hebben. Het voedsel van de cowboys was even eentonig als hun bestaan: bonen en pekelvlees. Ze spoelden dat weg met koffie – als er tenminste voldoende water was.

Verbrast

Na een reis van zeven, acht weken kwam de kudde aan bij een van de laadstations in Kansas, zoals Abilene (de plaats waar later president Eisenhower werd geboren), Dodge City en Ellsworth. Als de kudde was afgeleverd, ontvingen de cowboys hun loon: 40 dollar per maand – voor die tijd een behoorlijk bedrag. Het grootste deel van dit inkomen was binnen een dag verbrast. Na de wekenlange ontberingen gingen de cowboys zich te buiten aan drank, vrouwen en gokken. En het geld dat ze dan nog over hadden, werd hun vaak afhandig gemaakt door zakenrollers. Met name de plaats Dodge City was berucht om de liederlijkheid en het wapengeweld. „In moreel opzicht zijn cowboys, als klasse gezien, grofgebekt, blasfemisch, drankzuchtig en corrupt. Zo onschuldig als ze op de prairie zijn, zo gevreesd zijn ze in de steden”, stond er in 1882 in de krant Cheyenne Daily Leader.

Na 1885 kwam de neergang. De grote oorzaak was niet de afnemende vraag naar vlees, maar de komst van prikkeldraad. Rancheigenaren op de prairies ergerden zich al langer aan de trek van grote kuddes onder de hoede van cowboys. Behalve dat de runderen de grasvlakten kaalvraten, waren ze bang voor de ziekten die de kuddes verspreidden. Daaronder waren aandoeningen waarvoor de longhorns immuun waren, maar de tamme koeien van de veeboeren niet.

Aanvankelijk probeerden deze rancheigenaren hun grondgebied te beveiligen door langs de rand heggen van osagedoorn te plaatsen. Probleem was dat die niet verplaatst konden worden. De uitvinding van het prikkeldraad door de Amerikaan Joseph F. Glidden in 1873 betekende dat er een verplaatsbare afrastering kwam die de vrije doorgang van grote kuddes blokkeerde.

Gevechten

Deze acties van rancheigenaren leidden tot gevechten tussen veehandelaren en cowboys enerzijds en boeren anderzijds. In 1892 leden de bazen van de cowboys een beslissende nederlaag tegen de kolonisten in Johnston County in Wyoming. Algemeen wordt dat gezien als het eind van het tijdperk van de cowboys.

Geen enkele figuur uit de Amerikaanse geschiedenis is zo geromantiseerd als de runderherder te paard. Zijn vrijbuiterij en zijn outfit speekt nog vandaag de dag tot de verbeelding. In tal van films en boeken speelt hij een belangrijke rol. En op tal van plaatsen in het zuidwesten van de VS kun je op de foto in cowboykleding met lasso in de hand, zo nodig gezeten te paard. Natuurlijk wel een gedresseerd paard.

serie Wilde Westen

De geschiedenis van westelijk Noord-Amerika, deel 2.