De deur ging nog net open

Watersnoodramp 1953
Van Hoepen (vooraan) met een collega op patrouille. beeld fam. Van Hoepen
9

Met uiterste krachtsinspanning wisten Adri van Hoepen en zijn moeder de kamerdeur open te krijgen. Terwijl het water snel steeg, worstelden ze zich naar de trap. Het hele gezin overleefde de watersnood. „De Heere heeft ons wonderlijk bewaard.”

Kruiningers die op zaterdagavond 31 januari aan de waterkant stonden, zagen wat ook elders op de eilanden werd waargenomen: het moest eb zijn, maar het water stond zo hoog als tijdens de vloed. En toch ging bijna iedereen gewoon slapen.

In huize Van Hoepen kwam van slapen niet veel. Vader was politieagent en was opgeroepen. Moeder, Adri (15), Anny (12) en Rinus (5) waren daardoor ongerust.

„Vader is met zijn collega Van Raaijen op een motor-met-zijspan de polder ingereden om mensen te waarschuwen”, zeggen Adri en Anny. „Toen het water kwam, zijn ze snel teruggereden. Ze wisten bijtijds het dorp te bereiken.”

Doordat bij de Veerhaven van Kruiningen de vloeddeuren in de coupure niet op tijd gesloten waren, sloeg de Westerschelde het veerplateau met de havendijken weg. Door de kracht van het water werden de reservesteiger en de veerboot Willemsdorp door het gat de polder ingesleurd. In zeer korte tijd liep de Kruiningerpolder (1400 hectare) onder water. Niet alleen bij de Veerhaven, maar ook bij de Polderweg (Den Inkel) en bij de Sandeeweg brak de Westerscheldedijk door.

Water in huis

Anny en Rinus van Hoepen waren bij hun moeder in bed gekropen, maar Adri zat in zijn kamer voor het raam. Opeens zag hij iets wits over het land dichterbij komen. Hij liep naar zijn moeder: „Het lijkt wel sneeuw.”

Het was schuim op een watergolf die op het dorp afstormde. „We zijn naar beneden gegaan en ik heb met moeder geprobeerd het orgel op een paar stoelen te zetten”, zegt Adri. „Dat lukte natuurlijk niet.”

„De kippen!” zei moeder, en ze wilde naar buiten om de dieren te redden. „Mama, niet doen!” riep Anny. „Ik had Rinus op tafel gezet; hij hield me angstig vast”, herinnert ze zich. „Toen kwam het water het huis in en zoog de kamerdeur dicht. De kolenkachel ging sissend uit.”

Het water steeg snel. „Moeder en Adri trokken aan de kamerdeur en wisten hem half open te krijgen, zodat ik, met Rinus op mijn arm, naar de trap kon en daarna zij ook. Het was een wonder dat we eruit kwamen. In andere huizen zijn mensen verdronken omdat ze de deur niet meer open kregen.

Toen moeder als laatste op de trap stond, ging de telefoon. Die hing dicht bij de trap. Ze nam op, terwijl ze in het water stond. Vader belde; hij zei: Ik ben veilig; ik ben bij Poortvliet in huis. Ga maar gauw naar boven.”

Bonkende meubels

Moeder ging op de rand van haar bed zitten, Adri aan de ene kant, Anny en Rinus aan de andere kant van haar. „Toen heeft ze met ons gebeden.”

Buiten stond een sterke stroming. „We hadden een stevige voordeur, maar hij klapte toch open. We gingen elke keer bij de trap kijken: weer een tree, weer een tree. Er bleven maar drie treden droog. Er hing een rioollucht in huis. Onder ons hoorden we drijvende meubels tegen het plafond bonken. Elke keer als het water een volgende plank in de kast bereikte, hoorden we serviesgoed rinkelend omvallen.”

Eten was er niet, zegt Anny. „Er lagen alleen wat appels. Ik vroeg: Is dit de zondvloed? Dat verhaal had ik horen voorlezen uit de kinderbijbel van Vreugdenhil.”

Adri zag door het raam van alles voorbijdrijven: strobalen, dode dieren, wrakhout, de kap van een boerderij. In de lagere huisjes aan de overkant van de Zandweg stond het water op zolder. „De overburen maakten een gat in het dak om naar buiten te kunnen klimmen.”

Redders uit Yerseke

Toen het eb werd, zakte het water wat. ’s Middags zag Adri een roeiboot dichterbij komen. „Er zaten twee vissers uit Yerseke in. Ze voeren de punt van hun boot de gang in, waardoor we vanaf de trap konden instappen. We denken met veel respect aan onze redders terug. Vanwege de sterke stroming hadden ze moeite de Zanddijk te bereiken.”

Anny hield haar pop vastgeklemd; „uit angst hield ik haar zo stevig vast dat ze kapot was toen we uit de boot stapten. Een dokter uit Goes bracht ons naar Yerseke.”

Janny, de vrouw van Adri, die toen in Yerseke woonde: „Ons dorp is niet ondergestroomd, maar ik heb later wel vaak angst gehad als het stormde. In Ridderkerk, waar we 38 jaar woonden, heb ik een keer een hele nacht wakker gelegen.”

Van de 62 slachtoffers in de gemeente Kruiningen zijn er vier nooit teruggevonden. In verscheidene gezinnen overleefde niemand de watersnood. Adri’s vriend Frans van Burg is lang vermist geweest. Hij is pas na maanden gevonden, in een sloot, half onder het zand. Willy Balkenende, een vriendinnetje bij wie Anny van Hoepen vaak thuis speelde, was ook verdronken.

Indruk

Na enkele weken kwam ook vader Van Hoepen naar Yerseke. „Dat was een emotionele ontmoeting. We waren allemaal gespaard gebleven! Vader zat in een hoger gelegen huis, boven garage Poortvliet, en had naar de Markt kunnen waden toen het eb was. Vervolgens had hij de handen vol aan alle mensen die hulp nodig hadden.”

De eerste zondag in Yerseke maakte indruk. Adri: „Ds. F. J. Dieleman, predikant in de Gereformeerde Gemeenten, sprak de evacués aan. We gingen ook bij hem op de catechisatie. Een gunnende man, met een groot invoelingsvermogen. Je ging met indrukken naar huis.”

„We waren inmiddels niet meer bij elkaar”, zegt Adri. „Moeder ging met Anny en Rinus naar schoenmaker Meeuse aan het Kerkplein. Ik kwam bij kleermaker C. J. Gebraad, ouderling in de gereformeerde gemeente, in huis. Open en gunnend sprak hij over het geestelijk leven. Het onderwijs dat hij gaf, is meer dan twintig jaar later teruggekomen, nadat de Heere me stilzette.”

Bloeiende bomen

Het gezin Van Hoepen kon een gemeubileerd huisje betrekken. „Ons eigen veilige huis was er niet meer. Later realiseerden we ons hoe snel het was gegaan.

Als we over de Zanddijk richting Kruiningen reden, zag je het dorp liggen in een grote watervlakte. In het voorjaar stonden de fruitbomen in bloei. Alleen hun kruin stak boven het water uit. Een bijzonder gezicht. Pas later gingen ze dood door het zout.”

In een grote villa aan de Markt in Kruiningen, het hoogste gedeelte van het dorp, was op de eerste verdieping tijdelijk een politiebureau ingericht. „We mochten soms met vader meevaren als hij op patrouille ging, in een vlet van de genie uit Keizersveer. Dan zagen we de gaten in de dijk, maar vanwege de sterke stroming mochten we niet dichtbij komen.”

Stinkende modder

De zomer van 1953 was al voorbij toen de Kruiningers terug naar huis konden, als dat nog overeind stond. „Het onze stond er nog, maar alle inventaris was verloren gegaan en er moest eerst een stinkende laag modder worden verwijderd. Bij de tweede vloed, toen wij al niet meer thuis waren, was het water nog hoger gekomen dan bij de eerste. Toen stond het 30 centimeter boven de zolder.

Het behang bladderde af en de muren sloegen wit uit. We leefden met een kampeerstelletje op de houten vloer, want die moest drogen voordat er vloerbedekking kon worden gelegd.”

Adri: „Ook het interieur van de kerk van de gereformeerde gemeente zag er troosteloos uit. In de zomer van 1952 was ik er organist geworden, en nu zweeg het orgel. En dat gold ook voor de hervormde kerk, waar ik orgellessen had gekregen. Daar werd ik droevig van.”

Terugdenken

Broer en zus zeggen het tijdens het gesprek meerdere keren tegen elkaar: „We zijn wonderlijk bewaard.” Anny: „Als de beelden later bij je boven kwamen, voelde je de schrik en de angst weer. De ramp had impact op de rest van ons leven.”

Adri: „’s Zondagsmorgens lees ik na het ontbijt altijd Psalm 92 en 93. Als het dan gaat over het bruisen van grote wateren, moet ik altijd aan de ramp denken.”

Politieman en verzetsstrijder

M. C. van Hoepen werkte bij de rijkspolitie in Krimpen aan den IJssel. Daar zat hij tijdens de oorlog in het verzet en huisvestte hij met zijn vrouw Joodse onderduikers. Tijdens illegale slachtingen stond Van Hoepen op wacht; als er Duitsers kwamen, was hij zogenaamd bezig met een inbeslagname. Na de oorlog werkte hij bij de politieke recherche.

In 1946 verhuisde het echtpaar naar Krabbendijke, in hun geboorteprovincie Zeeland. Van 1947 tot 1957 was Van Hoepen in Kruiningen gestationeerd, daarna werd hij commandant van de post Yerseke.

A. L. M. (Adri) van Hoepen (80), zijn oudste zoon, was in de Gereformeerde Gemeenten organist in Kruiningen (1952-1957) en ouderling in Ridderkerk (1979-2008). Hij woont nu weer in Yerseke; zijn zus J. G. (Anny) Everse-van Hoepen in Middelburg. Hun broer G. M. C. (Rinus) van Hoepen overleed vorig jaar maart op 70-jarige leeftijd.