Dagenlang onder het oorlogsgeweld in Elst

75 jaar vrijheid
W. Clements-Klaassen (86) was als kind getuige van het oorlogsgeweld in Elst (Gld.), in de Overbetuwe. Op de foto met het familieboek waarin ze de gebeurtenissen beschreef. beeld RD, Anton Dommerholt
2

Zwart was het haar van moeder Klaassen toen operatie Market Garden begon. Het was voor een deel wit geworden toen ze vijf dagen later uit de schuilkelder kwam. De Overbetuwe maakte benauwde dagen mee.

Market Garden volgde drie dagen na 14 september 1944, een zwarte dag in de geschiedenis van Elst, tussen Nijmegen en Arnhem. Na een bevel uit Londen blies het verzet een deel van de spoorlijn bij het Gelderse dorp op. Als represaille schoten SS’ers twee schoolhoofden en de directeur van het arbeidsbureau dood. Een dochtertje van een van de drie liep naar haar vader toe en riep: „Papa! Papa!” Maar de geweren knalden al. Elst rouwde noodgedwongen in stilte. En er stond nog veel te gebeuren.

Zondag 17 september was de lucht opeens vol vliegtuigen, zegt W. Clements-Klaassen uit Barneveld, die aan de Kerkstraat –de latere Valburgseweg– in Elst opgroeide. Nu is ze 86, destijds 11 jaar. „Het Duitse afweergeschut begon te blaffen en algauw riep iemand: „Ze gooien parachutisten uit!” Wij met z’n allen naar de zolder. Via het dakraam aan de achterkant kon je zien dat er honderden parachutisten aan de overkant van de Rijn afsprongen. Ik was zó nieuwsgierig dat ik met mijn hoofd door het glas van het dakraam stootte, wat me een behoorlijke hoofdwond bezorgde en een uitbrander van mijn zeer bezorgde moeder.

Telkens kwamen er vliegtuigen met nieuwe ladingen parachutisten. We dachten in enkele uren bevrijd te zijn. De wildste verhalen deden de ronde. De geallieerden zouden al in Valburg zijn. Later waren ze in Oosterhout, 6 kilometer ten zuiden van Elst, gezien.

Toen de tanks eindelijk kwamen aanrollen, mocht ik niet naar buiten omdat ik ziek was. Zus Jo stond naast me in de erker en aan de andere kant mijn moeder. Vader was met nog enkele mensen bij de poort gaan staan. Toen de Duitsers begonnen te schieten, pakte Jo me op en riep: „Snel, naar de kelder!” Dat was geen moment te vroeg want we waren nog niet beneden of er sloegen twee granaten in, juist op de plaats waar we net hadden gestaan. De erker was er niet meer en de voorkamer was een grote puinhoop.”

Schuilen in de sloot

Daar zaten ze dan. „Met ons drieën. En waar was vader? En de oude Hooglander – een schipper die niet voor de Duitsers wilde varen en daarom bij ons ondergedoken was? En Gerrit van de Pol, de aanstaande van mijn zus? En Theo Klaassen, een neef die op dat moment bij ons was? We wisten het niet en het schieten ging maar door.

Al wekenlang sliepen we in de kelder, omdat er elke nacht luchtalarm was. Daar lagen matrassen op de grond. Daar hebben we na de beschieting een tijdlang gezeten. Toen ging de kelderdeur open en kwam vader naar beneden. En met enige tussenpozen ook de andere drie. Op het moment dat het schieten begon, hadden ze zich over het muurtje van de poort in de droge sloot laten vallen. Hooglander dacht toen hij mijn vader zag vallen: Die is geraakt. Maar even later zag hij hem door de sloot voor zich uit kruipen.

Ze zagen een regen van kogels over zich heen gaan en zijn in de sloot blijven liggen totdat het schieten ophield. Toen is mijn vader er als eerste uitgekropen en naar het huis gerend. Toen hij achter de serre was, dacht Hooglander: Hij heeft het gered, maar nu wij nog.”

Stofwolk in de kelder

Gelukkig haalden ze het allemaal, zegt Clements. „Voor ons een geruststelling dat ze weer bij ons waren, maar de ellende was nog niet voorbij. Het schieten werd weer heviger en er kwam een granaat door de zijmuur van het huis, net boven de trap. Dat veroorzaakte in de kelder veel stof en gruis, zodat we het er benauwd van kregen. Ik lag op de matras, maar sprong overeind en ging bij vader op schoot zitten. In een flits dacht ik: Vader is bekeerd; daar ben ik het veiligst.

Er kwam een Tigertank aanrijden. Die wilde bij ons de poort indraaien om dekking te zoeken onder de bomen of in de schuur. Maar wat de Duitsers ook probeerden, het lukte niet om de poort in te komen. Onder het uiten van de vreselijkste vloeken gingen ze keer op keer even achteruit en dan weer vooruit, maar het lukte niet.

Na enige tijd reden ze door. Maar voordat ze in Elst waren, net voor de bocht bij de molen, hadden Engelse jagers hen vanuit de lucht al gevonden. De tank werd doorzeefd met kogels en de lichamen van de soldaten lagen verbrand bij de tank. Ik heb het later gezien. Het was een vreselijk gezicht.”

Belofte

Dagenlang zaten ze in de kelder. Zonder vers eten. „We hadden ook geen honger. Af en toe maakte vader een weckfles open met vruchten of vlees. We gebruikten een oude, grote pan als wc, en de groten waagden het soms om gebukt even naar het toilet te gaan.

Na drie dagen werd het rustiger om ons heen. Toen vader boven een kijkje ging nemen, kwam er juist een zwaarbewapende Engelse soldaat aan de achterdeur. Die vroeg: „Met hoeveel personen bent u beneden?” Gelukkig kende vader genoeg Engels om hem te verstaan.

De soldaat zei: „Blijft u nog 24 uur beneden, want we zijn deze hele omgeving aan het schoonmaken. Op alles wat beweegt, wordt geschoten. Dus blijf alstublieft beneden. We komen u halen als het kan.” En dat is ook gebeurd. Op de morgen van de vijfde dag kwam hij ons halen.

Een dag voordat het schieten begon, was er een groep mensen uit Arnhem-Zuid bij ons gekomen. Ze woonden bij elkaar in de straat en wilden elkaar niet in de steek laten. Ze mochten van vader in de schuur slapen en hebben al die dagen dat er gevochten werd, plat op de grond op stro die verschrikkingen moeten meemaken. Toen die Engelsman kwam, ging vader met hem naar de schuur. Vader vertelde de Arnhemmers dat ze ook binnen moesten blijven. „En”, zei hij, „de Heere heeft me beloofd dat we allen gespaard zullen worden.” Hij zei dat met zo veel kracht dat die mensen het geloofden. Jaren na de oorlog zijn ze hem komen bedanken. Ze brachten een gedenkbord mee.”

Preken op de deel

Het bevrijde Elst was grotendeels verwoest en lag dicht bij de frontlijn. Daarom besloot het gezin Klaassen weg te gaan. Drie weken waren ze bij familie in Herveld, verder bij de vuurlinie vandaan maar ook niet helemaal veilig. Dat merkte Willemijntje (Mien) Klaassen –nu mevrouw Clements– toen ze aan het fietsen was en er dichtbij een granaat ontplofte. Op de deel van de boerderij werd ’s zondags leesdienst gehouden. Ds. T. Dorresteijn van de gereformeerde gemeente in Opheusden preekte er enkele keren.

„We gaan terug naar huis”, zei vader Klaassen na drie weken. Zijn dochter herinnert zich hoeveel sporen de strijd had nagelaten. „Hier een tank in de sloot, daar een boerderij volledig uitgebrand, even verderop vers gedolven graven met een houten kruis erop.”

De schade aan Klaassens huis werd provisorisch hersteld. Ook twee andere gezinnen kregen er onderdak. In de schuur sliepen zes mannen, in de kelder negen vrouwen.

Hospitaal

Toen de vluchtelingen uit Herveld terugkeerden, zagen ze dat er Schotse militairen in de schuur verbleven. Sommigen huilden als ze op een gevaarlijke patrouille moesten. Niet allen kwamen terug.

Na twee weken werd het voorste deel van de schuur ingericht als hospitaal. De kinderen zagen hoe gewonde en dode soldaten werden binnengedragen. „Ik kwam net de achterdeur uit toen twee Rode Kruissoldaten een jongen van wie het halve gezicht weggeschoten was tussen het huis en de schuur op de grond legden”, vertelt Clements. „Hij had het erg benauwd. Ze beduidden mij weg te gaan, maar ik stond als aan de grond genageld. Ze probeerden hem enige verlichting te bieden, maar na enkele ogenblikken greep hij met beide handen naast zich in het grind en stierf. Ik zie het nog duidelijk voor me. Ik rende naar binnen, naar mijn moeder.”

In de boomgaard werden veertig Engelsen en dertig Duitsers begraven, en Mien Klaassen kreeg van haar vader opdracht een namenlijst aan te leggen aan de hand van de kruisen die op de graven waren geplaatst.

Op de vlucht

Aan bomen werd een bericht van de Amerikaanse legerleiding aangeplakt dat alle mensen in dit deel van de Betuwe geëvacueerd moesten worden. „Eerst de vrouwen en de kinderen. Dat betekende bij ons: moeder, mijn 22-jarige zus Jo en ik. De Amerikanen zouden zorgen voor transport. We kregen één dag om wat in te pakken. Vader vulde een aantal fruitkisten met weckflessen vol vlees en met kleding en dekens. Ook gaf hij ons de raad onze beste (zondagse) kleren aan te doen. „Want”, zei hij, „waar je ook komt, als je er netjes uitziet, dan word je ook als zodanig behandeld.” Dat bleek waar te zijn.

Ik ging naar de zolder van ons huis. Daar mocht ik niet komen vanwege het instortingsgevaar en de mogelijkheid van granaatvuur. Maar daar op die grote zolder heb ik mijn knieën gebogen om de Heere te vragen of Hij ons wilde bewaren en terugbrengen en of Hij met vader wilde blijven. Ik geloofde toen vast dat het ook gebeuren zou.”

Evacué in België

Een halfjaar verbleven ze in het Belgische Geraardsbergen. Na een aantal weken kwam ook vader Klaassen daar naartoe. Hij had met andere mannen het vee in de Overbetuwe verzorgd toen het gebied onder water liep doordat de Duitsers de dijken kapotgebombardeerd hadden. Toen de mannen ook weg moesten, hield de gereformeerde predikant van Elst, ds. H. Torenbeek, voor hen een afscheidspreek over Exodus 33:14 en 15. „Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen?”

In Geraardsbergen lazen Klaassen en zijn zwager J. le Poole ’s zondags een preek. De plaatselijke evangelist stelde daarvoor zijn huis beschikbaar. In het begin waren er twaalf luisteraars, later wel honderd. Klaassen leidde ook een begrafenis, allemaal werk dat hij nooit eerder had gedaan. Hij evangeliseerde ook onder de Belgen.

In mei 1945 kon het gezin terug naar huis. Terug naar zwaar geteisterd gebied. Maar het huis stond er nog –hoewel zwaar beschadigd–, terwijl veel andere woningen in puin lagen.