Cultuurchristendom: de herinnering aan een bos bloemen

Het Kampen Boys Choir zingt in Cambridge. beeld Freddy Schinkel

Cultuurchristendom heeft een beetje een vieze bijsmaak. In christelijke bladen verschijnen de laatste tijd regelmatig opgewonden stukken van radicale christenen die gruwen van Geert Wilders en Thierry Baudet en daarom vuur beginnen te spuwen bij iedere verwijzing naar de ”joods-christelijke traditie” of de ”christelijke cultuur”.

Ik lees zulke stukken met enige verbazing.

Natuurlijk, toegegeven, beide heren zijn niet de beste ambassadeurs van de christelijke traditie. Ze gebruiken de term te pas en te onpas en ze tonen regelmatig dat ze niet goed beseffen wat christendom allemaal inhoudt.

Tijdens zijn debat met Baudet, onlangs in Gouda, gebruikte SGP-voorman Kees van der Staaij een mooi beeld: het cultuurchristendom is als een bos snijbloemen. Je kunt ze best een tijdje op water zetten en goed houden, maar ze hebben geen wortels en uiteindelijk sterven ze. Met echt in God geloven heeft cultuurchristendom niets te maken. Dat is duidelijk. Niettemin: die ten dode opgeschreven bos bloemen herinnert wel degelijk aan een wereld daarbuiten, waarin planten leven met wortels, die bloeien en vrucht dragen. Zelfs de herinnering aan zo’n bos bloemen is meer dan helemaal niets.

Vanuit die gedachte is het fijn als er in de maatschappij mensen zijn die de herinnering aan het christendom koesteren, die gehecht zijn aan tradities die met het kerkelijke verleden verbonden zijn, die geïnspireerd zijn door de Tien Geboden of door de gelijkenissen uit het Nieuwe Testament.

Ik zou denken: dat biedt juist aanknopingspunten. Via een oud kerkgebouw, een lied of een schilderij –evenzoveel herinneringen aan een gezamenlijk christelijk verleden– raak je makkelijk in gesprek over God, geloof en kerk. Waarom dan zo fanatiek benadrukken dat cultuurchristendom totaal verderfelijk is? Dat komt vast doordat het idee zo politiek geladen geraakt is.

Ook in de kerk kun je immers cultuurchristenen tegenkomen. Mensen die de Bijbel gebruiken om eigen ideeën door te drukken. Die niet écht geloven maar bij de kerk horen omdat dat troost biedt, of omdat hun familieleden en vrienden er ook bij horen, of omdat ze nu eenmaal zo opgevoed zijn.

Dat schiet aan alle kanten tekort. Dat is het wezen niet. Maar het kan een aanknopingspunt zijn. Jeruzalem heeft veel poorten, schreef C. S. Lewis, en de Schone Poort is er slechts een van. Hoewel je die poort natuurlijk naar twee kanten kunt gebruiken: „Cultuur is niet ieders weg naar Jeruzalem, en voor sommigen is het een weg ervandaan.”