Bij elk schilderij van Constable zoek je eerst naar het vlekje rood

”Gezicht op de brug van Harnham met in de verte de kathedraal van Salisbury”, 1820. Collectie David Thomson. beeld Teylers Museum Haarlem
6

Geen andere schilder dan de Engelse John Constable weet de sfeer van wolken, licht en lucht en het glooiend groen rond Engelse dorpjes zo gevoelig op het doek te zetten. En daarmee zo veel schilders na hem te beïnvloeden.

John Constable (1776-1837) is weinig reislustig, voelt zich het gelukkigst op zijn geboortegrond, in het Oost-Engelse Suffolk. Daar is hij met een zilveren lepel in de mond geboren. Vader is een welgestelde handelaar en herenboer, die niet alleen grond bezit maar ook watermolens en een drietal scheepswerven. De toekomst van John ligt voor de hand. „Ik moet nu [...] in de zaak van mijn vader gaan werken [...]. Een pad dat tegengesteld is aan datgene waarlangs mijn interesse mij zou leiden.” Constables hart ligt niet bij het familiebedrijf; hij wil kunst maken. Als tiener al schildert hij landschappen, onder begeleiding van de amateurschilder John Dunthorne, met wie hij een warme vriendschap onderhoudt. Samen trekken zij door de omgeving van East Bergholt om te schetsen. Pas in 1799 –John Constable is dan 23– legt zijn vader zich erbij neer dat de toekomst van zijn zoon buiten het bedrijf ligt. Hij steunt de jongeman, die naar Londen vertrekt voor een kunststudie aan de Royal Academy Schools.

Johns medestudenten zijn zo’n tien jaar jonger, de gebruikelijke leeftijd om een dergelijke studie te beginnen. Zijn leeftijdsgenoot en grote rivaal William Turner is op zijn drieëntwintigste al een gevierd kunstenaar. Het zal nog jaren duren voordat John zijn eerste successen boekt.

Op het terrein van de liefde gaat het Constable ook niet voor de wind. Terwijl het voor hem zo helder ligt. Hij zal trouwen met Maria Bicknell, de kleindochter van Durand Rhudde, de rector van de kerk in East Bergholt. Maar dat is buiten de waard gerekend. Zeker, Maria wil niets liever, maar haar vader en grootvader denken er anders over. De Constables mogen dan rijk en welvarend zijn, uit hoofde van zijn predikantsambt behoort opa Rhudde tot een hogere stand. Van een huwelijk kan geen sprake zijn, temeer niet omdat John beginnend schilder is, nog weinig succes boekt en nauwelijks inkomen heeft. Honderd pond toelage per jaar uit ”de zaak” is onvoldoende om een huishouden op stand te kunnen bekostigen.

Het wordt hoog gespeeld en opa Rhudde dreigt zelfs zijn kleindochter te onterven. Zowel Maria als John valt ten prooi aan melancholie. „Vaarwel, beste vriend”, schrijft Maria hem in 1813. „Waarom zijn we zo aan elkaar gehecht als alles tegen ons samenzweert!” Pas in 1816 –Constables ouders zijn dan al overleden– komt het tot een huwelijk. Van beide families is niemand aanwezig. Grootvader Rhudde beschouwt Maria niet langer als zijn kleinkind en onterft haar. Althans, dat zegt hij. Maar bij zijn dood in 1816 laat hij Maria eenzelfde erfdeel na als zijn overige kleinkinderen: 4000 pond.

Maria schenkt haar man zeven kinderen. ”Seven ducks”, zoals hij ze liefkozend noemt. Na ruim tien jaar in Londen te hebben gewoond, verhuist het gezin naar Brighton, „de vergaarbak van Londense modes en uitvaagsels”, volgens Constable. Hij heeft echter geen keus, de gezondheid van Maria is slecht en ze heeft zuivere lucht nodig voor haar zwakke longen. In 1828 sterft ze op 41-jarige leeftijd. Constable trouwt niet opnieuw, negen jaar na de dood van Maria sterft ook hij, op 60-jarige leeftijd.

Constable in Haarlem

John Constable wordt gerekend tot de grootste landschapsschilders aller tijden. Hij was een van de meesters van de romantiek, naast de Duitser Caspar David Friedrich, de Fransman Eugène Delacroix en de Spanjaard Francisco Goya. En zijn grote Engelse rivaal William Turner.

Teylers Museum in Haarlem heeft een overzichtstentoonstelling ingericht met werken van John Constable. Gehinderd door gebrek aan ruimte en de coronamaatregelen ziet het museum toch kans een goed beeld te schetsen van het werk van de schilder, overigens zonder heel grote werken op te hangen. Eigenlijk bestaat de tentoonstelling uit twee zalen; een met schilderijen van Constable en een kleinere ruimte met vooral olieverfschetsen en tekeningen. De tussenzaal, de bibliotheek, hangt vol met schilderijen van Nederlandse tijd- of stijlgenoten van Constable.

Wat vooral opvalt, is dat Constable zijn tijd ver vooruit is. Enerzijds is hij de romanticus die altijd gaat voor drama; de luchten zijn steeds in beweging, het licht parelt en schittert op elk voorwerp, water sprankelt en emoties zinderen. Tegelijk heeft hij een impressionistische jas aan, zij het dat die term dan nog niet bestaat. Hij zet zijn indrukken snel op het doek, in losse verftoetsen. Hoe minder tijd hij heeft, hoe beter zijn werk wordt; in de haast ligt zijn kracht.

En haast heeft hij soms: Constable schildert graag en veel in de buitenlucht. Ook weer zo’n trekje dat pas onder de impressionisten –vijftig jaar later– gebruikelijk zal worden als de verftube is uitgevonden. Constable gaat nog op pad met de verf opgeborgen in buideltjes van varkensblaas. Hij prikt zijn doek aan de binnenkant van zijn schilderkist en legt de luchten vast.

Het licht door de dreigende, aankomende buien weet hij te vangen. Maar soms moet hij haastig zijn kist sluiten om te voorkomen dat zijn werk nat wordt. Volgens Terry van Druten, conservator in het Teylers Museum, zijn op sommige schilderijen nog de sporen van waterdruppeltjes terug te vinden. Evenals de punaisegaatjes in de hoeken waar het doek vastgezet is.

Het duurt lang voor hij waardering krijgt in Engeland. De mensen vinden zijn werk te grof en te schetsmatig, het gekozen landschap niet schilderachtig genoeg.

Lichtend voorbeeld

John Constable laat zich zijn hele leven inspireren door het landschap van zijn geboortegrond, de streek rond Dedham, East Bergholt en de rivier de Stour. De molens van zijn vader komen in talloze werken terug. Het landschap, het licht, de lucht en de snelle wisselingen van het weer. Van jongs af maakt hij er studie van, waarbij de Nederlandse Jacob van Ruisdael zijn voorbeeld is. Op de dag dat hij op de Royal Academy is toegelaten schrijft hij al: „[...] Ik zal beginnen met schilderen zodra ik een aardig klein schilderijtje van Jacob Ruysdael heb geleend om te kopiëren.” Ook oude meesters als Rubens en Rembrandt, Aelbert Cuyp en Claude Lorrain inspireren hem. Op zijn beurt beïnvloedt Constable met zijn los geschilderde werk veel schilders die na hem leefden; van de School van Barbizon en de impressionisten tot aan hedendaagse kunstenaars.

Constable gebruikt in zijn landschappen heel spaarzamenlijk rood. Tegelijk is het rood steeds nadrukkelijk aanwezig. In het groen van veld en bos staat, hoewel op grote afstand, duidelijk zichtbaar een vrouwenfiguur. Bekijk je het van dichtbij, dan is haar jasje niet meer dan een rood veegje. Of een rode muts van een arbeider, een felrode zadeltas, het zeil van een scheepje – het is minimaal maar er valt niet omheen te kijken. Tot je jezelf erop betrapt dat je bij elk schilderij eerst zoekt: waar zit het Constable-rood in dit werk.

Zijn leven lang studeert de schilder op de lucht en de wolken, hij beschouwt het als een vorm van wetenschap. Hij houdt zorgvuldig de weersomstandigheden bij van elk schilderij, heeft als amateur-meteoroloog thuis een barometer en hij probeert weersverandering te begrijpen. En zo realistisch mogelijk weer te geven op het doek. In 1821 en 1822 schildert hij vrijwel alleen wolkenluchten want, zo zegt hij: „Ik ben de wolkenman.” Daarmee is de vraag beantwoord waarom juist het Teylers Museum deze tentoonstelling heeft ingericht. Natuurlijk, het kreeg de buitenkans om gebruik te maken van de werken van Constable uit de collectie van de Canadese verzamelaar David Thomson. Maar zeker ook is het omdat Teylers een grote verzameling instrumenten en meetapparatuur heeft op meteorologisch gebied. Maar daarvoor moet je in de andere zalen zijn.