Bezinnend gluren bij de buren

beeld Sarah van der Maas
5

Soms, fietsend langs donkere

grachten, duikt je blik ongevraagd

een woonkamer binnen, stuit

op een glimlach, een hand op

een schouder, maar je bent al

voorbij. Niet meer dan een tiende

seconde lijkt nodig om haarscherp

te tonen waar het om gaat. Moet je

in je huis misschien gewoonweg trachten

te kijken alsof je er toevallig voorbijrijdt.

Onbedoeld naar binnen blikken als een vorm van bezinning. De Vlaamse dichter Marc Tritsmans, wiens woorden ik hier onbeschaamd citeer, heeft er iets van begrepen. En wie kent het eigenlijk niet: dat dwalen van je blik, schurend langs de gevels en plots wegduikelend door een raam, waar hij als een schaduw met je mee over banken en tafels danst. Langslopend verplaats je je even in het zenuwcentrum van een onbekend leven. Jouw spiegelbeeld in andermans leunstoel, je eigen gezicht in hun fotolijstjes. Het venster als oog naar de ziel.

Maar lang niet altijd is het de voorbijganger vergund al slenterend een blik te werpen in de kern van het bestaan. In tijden van privacyparanoia geeft de mens zich slechts met mate. Wat we van onszelf met de wereld willen delen, spreiden we daarom met een air van welwillendheid ten toon in de vensterbank, als een staalkaart van ons leven: wanstaltige windlichten, blozende geraniums, verstofte beeldjes, kaarsen, prullaria. Wat zich echter dieper in ons domicilie schuilhoudt –het slingerende speelgoed, de vuile was, sporen van haat en liefde– versluieren we zorgvuldig voor het oog van de passant.

Hier maken de gordijnen hun opwachting.

Wie niet te sikkeneurig is, ziet het raamtextiel in grofweg twee typen uiteenvallen: dat wat de straat uit de woonkamer bant en dat wat de woonkamer aan de straat onttrekt.

Gordijnbezitters van het eerste soort zijn vooral huiselijk gericht. Zij vinden het belangrijk dat de vitrage bij het behang past en de zon niet hinderlijk in het aquarium schittert. Overdag bedienen ze zich daarom van lichte plissé- of glasgordijnen, terwijl bij het vallen van de avond met een gezellig gezoef het brokaat langs de roe wordt dichtgetrokken.

Het tweede type laat zich leiden door zijn haat-liefdeverhouding met de buitenwereld. Ze willen die namelijk uitsluiten én in de gaten houden. Voor de radicalen betekent dat: bobbelig plakplastic met een kiertje bij de vensterbank of dito solide rolluiken – want het doel heiligt de middelen. Hun iets gematigder soortgenoten kiezen voor lamellen of luxaflex, want dat gluurt zo lekker subtiel. De compromissluiters onder hen paaien intussen de straatkant met hun vensterbankparafernalia. De buurt mag het weten: in dit huis voelen we ons EMOH.

En dan is er kant.

Kant –óúd kant– laat zich niet in een hokje plaatsen. Een gordijn van aaneengenaaide gaten – paradox pur sang. Als decoratie al jarenlang uitgespeeld. Futloos kleeft het aan de ruiten, waarachter een scala aan mensen kan schuilgaan: zilveren echtparen, stokkige weduwnaars, vetharige gamejongens, haremhippies. Mensen die met variërende mate van opzet in het huishouden er, om het zo maar te zeggen, de kantjes van aflopen.

Toch heeft het voor mij altijd iets vreemd statigs, een licht melancholisch zelfrespect. Het leven is in de gordijnen zelf gekropen, het krult de randen om, de stof zuigt het in zich op totdat het bruin of vaalgeel verkleurd uit de naden ademt. Het floddert. Het muft. En misschien is dat precies wat het uit wil dragen. Er valt hier niets te verbergen; we hebben alles al gezien. Vermoei u niet met turen. De ziel van dit huis hangt voor de ruiten: kant en klaar.

Over de auteur

arah van der Maas (23) heeft algemene en sociale geschiedenis gestudeerd in Leiden en Groningen. Verhalen vertellen is haar passie: of die zich nu afspelen in een ver en vreemd verleden of gewoon om de hoek van de straat. Momenteel werkt Sarah aan een historische roman.