Bellet wijst al in 1898 op wind als bron van elektriciteit

Met de korenmolen van Waardenburg werd in 1917 electriciteit opgewekt. beeld Wikimedia
4

Het idee om met molens elektriciteit op te wekken is niet nieuw. Al honderd jaar geleden werden molens voor dit doel gebruikt.

In het Reformatorisch Dagblad van 20 november 2018 stond een artikel over de verwachte ontwikkelingen op het terrein van de windmolenbouw: ”Zeebenen nodig voor windparkmedewerker”. Het artikel gaat over het Deense energiebedrijf Ørsted dat 77 turbines voor de kust van Westkapelle gaat bouwen. Samen zullen deze de energie voor 825.000 tot een miljoen huishoudens leveren.

De Molenaar

Meer dan een eeuw geleden werd al over elektriciteitsopwekking nagedacht. Aan het eind van de negentiende eeuw haalt molenaar Wentzel van de Westermolen in Dalfsen zijn buurman, de drukker Gos. Eshuis, over tot het uitgeven van een vakblad voor molenaars. Zo verschijnt op 5 januari 1898 het eerste nummer van ”De Molenaar”. Het blad bestaat nog steeds, nu als vakblad voor de mengvoederindustrie, de moderne pendant van het oude molenaarsbedrijf.

In dit eerste nummer van ”De Molenaar” trekt een artikel de aandacht. Het gaat om het artikel ”Het terugkeeren tot de Windmolens” van ene mijnheer Bellet en het is overgenomen uit een Frans tijdschrift. Volgens Bellet „blijkt duidelijk, dat men zich overal kracht zoekt te verschaffen buiten de steenkolen, door gebruik te maken van die van watervallen, moerassen of van den wind, dien men voor niet heeft.”

Dit werd dus al geschreven in het jaar 1898. Bellet noemt geen aardolie als energieleverancier. Vermoedelijk is dit nog te gering van betekenis.

Beweegkracht

In zijn artikel constateert Bellet dat de windmolen bezig is te verdwijnen. „In Frankrijk ziet men bijna overal den windmolen verdwijnen om zijn ongeregelde werking”, schrijft hij. „De Hollanders en Belgen integendeel hebben ze nog geenszins afgeschaft, evenmin als de Duitschers, die er nog meer dan vijftien duizend bezitten.” Dat laatste is wel wat bezijden de werkelijkheid, want ook in Nederland worden windmolens in die jaren bij tientallen gesloopt.

Bellet gaat vervolgens in op nieuwe soorten windmolens zoals die in Amerika met succes worden toegepast en die aan het eind van de negentiende eeuw ook hun weg naar Europa beginnen te vinden. Hij schrijft: „Bij ons zou men moeten besluiten een duurzaam gebruik te maken van deze beweegkracht, zooveel te meer omdat de elektriciteit het gebruik er van gemakkelijk maakt, door het eenige wezenlijk gebrek, dat men haar kan verwijten, weg te nemen, n.l. gebrek aan regelmatigheid en voortduring van kracht. Vooronderstellen wij dat men deze kracht ophoopt, naarmate zij voortgebracht wordt. De molen zal van tijd tot tijd kunnen stilstaan, maar de verzamelaar zal echter zonder ophouden, en volgens de behoefte die men er aan heeft, de kracht geven die men haar heeft toevertrouwd, zoodat de bespaarde kracht altijd toestaat te wachten tot de molen weer begint te draaien. Men make dus elektrische bewaarplaatsen waar het door den wind bewogen werktuig door een dynamo elektriciteit zal doen voortbrengen, doordat de voor het oogenblik niet gebruikte windstroom zich ophoopt in de verzamelplaatsen.”

Kasteel Waardenburg

Bellet wijst in zijn artikel dus op de aanwending van windmolens voor elektriciteitsopwekking. Dat is in 1898 nog nieuw.

Het elektriciteitsnet staat in die tijd nog in de kinderschoenen. Men meent niet buiten accu’s („verzamelaars” en „verzamelplaatsen”) te kunnen, waarin de elektriciteit wordt opgeslagen voor het gebruik. Het door Bellet noodzakelijk geachte gebruik van accu’s vormt een enorme bottleneck bij de elektriciteitsopwekking, zowel praktisch als vanwege de hoge kosten.

Een van de eerste windmolens in Nederland waarmee elektriciteit wordt opgewekt is de nog bestaande korenmolen in Waardenburg. Dat is eigenlijk een noodsprong: de burgemeester van Waardenburg wekt voor eigen gebruik elektriciteit op met een benzinemotor bij zijn woning, kasteel Waardenburg. Vanwege gebrek aan benzine in de Eerste Wereldoorlog neemt men vanaf september 1917 de toevlucht tot de molen die ongeveer 300 meter van het huis van de burgemeester staat. Wegens gebrek aan koperdraad wordt de stroom via een ijzerdraad naar het kasteel geleid. Daar heeft men via een accu stroom voor tachtig lichtpunten.

Herleving

Eerder al, vanaf maart 1912, wordt er stroom opgewekt met de molen van Meyer in Stavenisse. En in de Eerste Wereldoorlog bouwt molenmaker Kleinbussink uit Apeldoorn bij Huize Vierhouten een kleine molen om elektriciteit op te wekken.

Het idee om windmolens te gebruiken voor elektriciteit is dus niet nieuw. Lange tijd was het echter economisch weinig succesvol. Toch zou monsieur Bellet gelijk krijgen als hij schrijft: „Wij zijn overtuigd dat men, met de vorderingen in de werktuigkunde en de toepassing van de elektriciteit, na niet zeer langen tijd, deze oude krachtaanbrenger, reeds te lang verwaarloosd, zal zien herleven.” Alleen duurt het langer dan hij in 1898 kan voorzien.

De auteur is oud-redacteur van het tijdschrift ”Molenwereld”