Bart Jan Spruyt: Ons land is gestempeld door christelijke vrijheid

Nederland
beeld RD, Henk Visscher

Christelijke vrijheid is het hart van onze nationale identiteit. Deze kern is meer dan verbeelding of nostalgie. Het gaat om een blijvende bron van inspiratie.

Mevrouw Spruyt trakteerde in de voorjaarsvakantie op een bezoek aan Gent, om Van Eyck te zien, en een nachtje Brugge. In het middeleeuwse stadje met zijn reien en bruggen leerde ik dit keer iets wat ik me tot dan eigenlijk niet zo goed had gerealiseerd. Brugge presenteert zich als een historisch stadje, maar is (ook) een romantische constructie uit de late negentiende eeuw.

Brugge is het product van de overwinning van de katholieken op de liberalen. Toen de liberalen aan de macht waren, viel er in naam van de vooruitgang veel onder de slopershamer. Zo moest een oude middeleeuwse wijk in 1869 plaatsmaken voor de bouw van de Koninklijke Stadsschouwburg in neorenaissance stijl. Aan de Markt was al een neoklassiek gebouw verrezen dat dienst deed als Provinciaal Hof. Toen dat in 1878 afbrandde, en de politieke bordjes inmiddels waren verhangen, grepen de katholieken hun kans en bouwden op de leeggekomen plaats een nieuw Provinciaal Hof, dit keer in neogotische stijl, als eerbetoon aan het eigen middeleeuwse verleden.

Als je dit weet, besef je ineens beter dan voorheen dat je tijdens een wandeling door Brugge in feite in een park loopt, waar gotische restauratie en neogotische ‘nieuwbouw’ elkaar in evenwicht houden. Je slentert niet door de middeleeuwen maar door de late negentiende eeuw – heel charmant, mooi en vertroostend dit stadje, maar niet authentiek historisch. Een onbedwingbare behoefte aan nostalgie, een vaag heimwee naar kleinschalige schoonheid en geest, is de kracht die je iedere keer weer terugbrengt naar dit product van restauratieve verbeelding.

Is die behoefte vaak ook niet leidend bij onze reconstructies van ons eigen verleden? De liefde tot ons eigen land wordt bepaald door de gebondenheid aan een stukje aardbodem, een landschap, een stadsbeeld, de taal, historie en cultuur, de instellingen van de staat, de rijke kerkgeschiedenis. Maar ons beeld van ons verleden blijkt de toets van de historische kritiek al te vaak niet te kunnen doorstaan, en contrasteert fel met de weerbarstige werkelijkheid van vandaag. Van die aardbodem en dat landschap is niet veel meer over dan een geschonden postzegel. Taal, historie en cultuur zijn niet in ere, maar weggerelativeerd en ontkend. De instellingen van de staat lijken ten prooi te zijn gevallen aan verbrokkeling en polarisatie. Eens volle hervormde kerken zijn ingenomen door appartementen en sushi-restaurants. Wordt ons beeld van ons verleden daarmee niet een bron van verlammende nostalgie?

Ik denk dat we, ondanks die onbedwingbare behoefte aan een mooi verleden waarin ‘wij’ het hart en bloed der natie vormden, wel degelijk tot de kern van onze geschiedenis kunnen doordringen. Die kern van onze nationale identiteit is, naar mijn mening, nooit beter onder woorden gebracht dan door de hervormde jurist Paul Scholten (1875-1946). In de Tweede Wereldoorlog sprak hij twee lezingen over Nederlanderschap en het Nederlandse volksleven uit. Hij correspondeerde over dit onderwerp met de beroemde historicus Johan Huizinga, die in 1941 zijn boek ”Nederland’s beschaving in de zeventiende eeuw” had gepubliceerd en ons land als burgerlijk en humanistisch had getypeerd. Scholten had in Huizinga’s boek de Statenvertaling gemist, de poëzie van Revius en de ”aandachtige liederen” van Bredero, de kerkschilders en de Amsterdamse Westerkerk. Huizinga erkende dat Scholtens kritiek terecht was en dat hij bij een nieuwe uitgave van zijn boek de toon ervan wezenlijk zou moeten wijzigen.

Scholten zag ons land dus als een land dat in de kern door de Reformatie was gestempeld. Daarmee bedoelde hij, preciezer: door het reformatorische ideaal van de christelijke vrijheid. Scholten wees erop dat hoofdrolspelers tijdens de Opstand, Willem van Oranje en Marnix van Sint Aldegonde, hebben gezegd dat het hun primair om de vrijheid van geloof en godsdienst ging. „Aldegonde”, had de prins gezegd, „laten wij dulden dat men over ons heen loopt, als wij maar de Kerk Gods mogen helpen.” Waarop Marnix had geantwoord: „Welnu, mijn heer, nu u daartoe besloten hebt, kan het God slechts behagen dat ik daar dit op zeg: gebruik mij waar u ook maar wilt.” Die strijd, en de geest waarmee die is gevoerd, was voor Scholten de kern van de Nederlandse identiteit. De „liberteyt van religie en conscientie” heeft de grondslag van de Nederlandse staat en samenleving gecreëerd, die het decor van de ”christelijke burger” vormde en een cultuur heeft voortgebracht waarin Revius en Bredero naast Vondel en Hooft een plaats verdienen.

Deze christelijke vrijheid was ook een kritisch begrip. Het christelijke geloof was niet alleen de bron van de vrijheid, maar begrensde die vrijheid ook. Het christelijke vrijheidsbegrip was dus tegelijk het correctief op mateloosheid en intolerantie. Tegelijk begrensde dit vrijheidsbegrip ook de macht van de staat. In de zestiende eeuw had de overheid haar grenzen overschreden met zware belastingdruk en geloofsvervolgingen. Van die grensoverschrijding was ook sprake geweest in de negentiende eeuw, toen de liberalen de vrijheden van een politieke minderheid onderdrukten. Daarvan was opnieuw sprake in de tijd waarin Scholten beide redes uitsprak (1940-1941). Scholten sprak zelfs over de ”demonie” van de staat, die alleen door de vrijheden en verordeningen van de rechtsstaat in toom wordt gehouden.

Die demonie dringt zich in onze dagen opnieuw op. Scholtens woorden kunnen we zo weer de onze maken: „Wij staan weer voor de strijd om ónze vrijheden. Men noemt het conservatisme als we deze willen behouden. Goed, dan zijn we conservatief. Wij begrijpen dat diepgaande veranderingen nodig kunnen zijn, maar we zijn conservatief als er sprake is van geestelijke vrijheid. Ik denk aan de vrijheid –de volledige vrijheid– van godsdienstuitoefening, aan vrijheid van belijdenis, vrijheid van persoon en woning, vrijheid van huwelijk zonder beperking door ras, vrijheid zelf te bepalen in welke geest onze kinderen zullen worden opgevoed, vrijheid van onderwijs.”

De door Scholten aangewezen kern van ons Nederlanderschap is daarmee geen oppervlakkig product van christelijke verbeelding of een bron van nostalgie, maar een blijvende bron van inspiratie.

Dr. Bart Jan Spruyt doceert cultuur en maatschappij aan hogeschool de Driestar in Gouda en kerkgeschiedenis en apologetiek aan het Hersteld Hervormde Seminarie aan de VU in Amsterdam