Sommige vrouwen zouden gillend zijn weggevlucht, maar niet Florence Nightingale

Ziekenzaal in het hospitaal van Scutari. beeld Wikimedia
4

Het ziet er misschien een beetje zoetig uit, zo’n plaatje van Florence Nightingale op de ziekenzaal. Daardoor zie je niet meteen hoe moeilijk en bijzonder haar leven in werkelijkheid geweest moet zijn. Ze werd wereldberoemd door haar werk als oorlogsverpleegster, maar het was vooral haar talent voor administratie waarmee ze talloze mensenlevens redde.

Florence Nightingale was 34 jaar, toen ze in 1854 met een groep verpleegsters in het hospitaal van Scutari (bij Istanbul) arriveerde om hulp te bieden aan gewonde soldaten. Ze waren gewaarschuwd, deze vrouwen. Maar de situatie was nog erger dan ze gedacht hadden. Het hele hospitaal was één grote plek van ellende. Patiënten lagen in hun eigen uitwerpselen op veldbedden die overal in de gangen waren neergezet. Ratten schoten door de ruimtes, kevers en andere insecten zoemden rond. Er was schreeuwend gebrek aan zeep en verbandmiddelen, en zelfs met water moest zuinig omgesprongen worden.

Sommige vrouwen zouden van zo’n plek gillend zijn weggevlucht. Maar niet Florence Nightingale. Zij stroopte de mouwen op en begon aanwijzingen te geven. Om te beginnen stuurde ze meteen iemand naar de markt om borstels aan te schaffen. Daarmee zette ze de minst zieke patiënten aan het werk: zij moesten de zalen van de vloer tot het plafond schrobben. Ze liet de verpleegsters aan de slag gaan met het verzorgen van de zieken, ze organiseerde de voedselvoorziening voor al die mensen, ze probeerde de patiënten zover te krijgen dat ze zich wasten en verschoonden, ze bond zelfs de strijd met de alomtegenwoordige luizen aan. Zo zorgde ze ervoor dat het militaire hospitaal steeds meer op een écht ziekenhuis ging lijken.

Een makkelijk mens is ze vast niet geweest, Florence Nightingale. Ze kijkt een beetje fanatiek, als je haar portret zo eens bekijkt. Maar die eigenschap heeft haar wel heel ver gebracht in het leven, en die koppigheid heeft ze soms ook hard nodig gehad. Wie in het hospitaal van Scutari aan de slag moet, kan het zich niet veroorloven om terug te deinzen voor problemen, die moet keihard aan de slag om orde in de chaos te scheppen. Ondanks haar fraaie japon.

Zijde, fluweel en kant, die dingen zijn slechts de buitenkant van Florences leven geweest, die herinneren aan het mooie, rijke meisje dat ze eigenlijk had moeten zijn. Maar haar ogen spreken andere taal, dat zijn de ogen van een serieuze, gedreven vrouw. Een vrouw met een roeping.

Haar ouders hebben er ongetwijfeld veel mee te stellen gehad, met die roeping van haar. Die zullen zich soms vertwijfeld hebben afgevraagd waarom ze geen gewone dochter konden hebben, die een aardige, rijke man wilde trouwen en daarna een normaal vrouwenleven wilde leiden, met een gerieflijk huis, mooie kleren, gezellige theevisites en desnoods het nodige liefdadigheidswerk. Dat alles lag binnen handbereik. Waarom moest Florence dan zo nodig afreizen naar verre landen om onder de vreselijkste omstandigheden gewonde soldaten te gaan verplegen? Vooral haar moeder snapte dat niet.

Geld was geen probleem in het Britse gezin waarin Florence 200 jaar geleden geboren werd. Haar vader, William Shore, was enorm rijk en had mét de bezittingen van een oudoom ook diens achternaam –Nightingale– geërfd. Haar moeder, Fanny Smith, stamde uit een invloedrijke koopmansfamilie die onder meer had gestreden voor de afschaffing van de slavernij.

Samen maakten William en Fanny na hun huwelijk een grote reis door Europa, en ze noemden hun twee dochters naar de plaatsen waar ze geboren werden: Parthenope naar de mythische grondlegger van de stad Napels, Florence naar de stad Florence.

Die twee meisjes hadden eigenlijk alles mee in het leven. In de zomer woonden ze op het ene landgoed, in de winter op het andere. Ze konden zich prachtig kleden, hun ouders verkeerden in de beste kringen, ze konden leren wat ze maar wilden, ze konden trouwen met wie ze maar wilden.

Maar aan Florence waren de feesten en partijen van moeder Fanny –een geboren netwerker, dol op contacten met belangrijke en invloedrijke mensen– niet besteed. Zij voelde zich in zulke gezelschappen vaak akelig en onhandig, en ze had er een hekel aan als alle ogen op haar gericht waren. Botsingen met haar moeder, die even koppig was als zijzelf, waren onvermijdelijk. Florence wist toen natuurlijk nog niet hoe bruikbaar die invloedrijke contacten later in haar leven zouden zijn om de dingen voor elkaar te krijgen die ze zo belangrijk vond. Dat besef kwam pas later.

De lessen van vader William, daar hield ze meer van. Zij en haar zusje hadden eerst een gouvernante, maar vanaf hun twaalfde nam hun vader het onderwijs zelf ter hand: klassieke en moderne talen, geschiedenis, filosofie. Florence bleek een studiehoofd, en het zegt iets over haar dat ze dol was op wiskunde en daar honderd keer liever mee bezig was dan met pianospelen of handwerken.

Maar toen ze twintig was en aan haar vader vertelde dat ze als werkende vrouw graag iets voor de samenleving zou betekenen, was hij geschokt. Dat was volgens hem niet de bedoeling van een vrouwenleven. Haar moeder had er nog uitgesprokener opvattingen over: die wilde echt graag dat Florence ging trouwen.

Toch konden William en Fanny niet tegen hun dochter op, want Florence had niet alleen een ijzeren wil, ze zette ook door in het besef dat ze door God geroepen was om de armen en zieken in de wereld te helpen. Daarom wilde ze verpleegster worden. Alle interessante mannen die voorbijkwamen en haar een aanzoek wilden doen, leidden slechts af van dat doel.

Het christelijk geloof was voor Florence dus al in haar jeugd een uiterst belangrijke inspiratiebron. Wát ze precies geloofde, daar zijn boeken over volgeschreven, want ook in haar latere leven heeft ze veel over religie en theologie gezegd en geschreven. Ze kwam uit een familie van unitariërs (die niet in de Drie-eenheid geloven), en ook zelf was ze bepaald geen dogmatisch christen. Haar geloofsbeleving was eerder mystiek: ze hoorde naar eigen zeggen de stem van God, door Wie ze geroepen werd tot een dienstbaar leven. En ze zag de hele wereld als het werkterrein waarin de vooruitgang van Gods Rijk bevorderd moest worden. Heel concreet: wonden verbinden, bedpannen legen, armoede en slavernij bestrijden, zorgen voor de minderbedeelden.

Verpleegster was in Florences tijd geen mooi, gerespecteerd beroep dat bij haar stand paste. In de ziekenzorg werkten vaak vrouwen die niets anders konden en die toch geld moesten verdienen. Arme vrouwen, drankzuchtige vrouwen, vrouwen die het minimale deden om een beetje geld te verdienen en daarvoor desnoods met de zieken tussen de lakens kropen, maar die niet met hart en ziel voor hun patiënten zorgden. Daarnaast waren er natuurlijk de nonnen, en de diaconessen – maar Florence wilde geen non of diacones zijn, ze wilde gewoon professioneel verpleegster worden. En daarvoor moest ze zich een eigen weg banen.

Pas rond haar dertigste hadden haar ouders zich eindelijk bij haar plannen neergelegd en kreeg ze toestemming om in Duitsland een opleiding te gaan volgen. Terwijl haar moeder en haar zus (als de rijke dames die ze waren) in het kuuroord Karlsbad een therapeutische vakantie namen, verbleef zij drie maanden in het opleidingscentrum van de lutherse diaconessen van Kaiserswerth. Daarna liep ze stage in Parijs, in het ziekenhuis van de rooms-katholieke Soeurs de la Charité. „Maar ze zal er nooit genoegen mee nemen een soeur de charité te zijn”, schreef een vriendin in die tijd over haar. „Het verbinden van wonden zal haar snel gaan vervelen. Hoe fijn ze het nu ook denkt te vinden, ze zal er uiteindelijk voor willen zorgen dat álle zusters het beter gaan doen.”

Bij terugkeer in Londen werd Florence meteen manager van een ziekenhuis voor beter gesitueerde dames. Dat waren natuurlijk niet helemaal de arme mensen die ze op het oog had, maar die baan was een begin, die zorgde in elk geval voor naamsbekendheid in de juiste kringen. Ze zou gauw genoeg op een betere plek terechtkomen, want in 1854 raakte Engeland betrokken bij de Krimoorlog, het gewapende conflict tussen het Russische keizerrijk en een alliantie van Fransen en Britten met het Ottomaanse Rijk en het koninkrijk Sardinië. Die oorlog werd grotendeels uitgevochten op de Krim, een schiereiland in de Zwarte Zee. Dat bleek de plek te zijn waar ze Florence nodig hadden.

Ze was inmiddels 34 jaar, ze had ervaring en ze kende de juiste mensen in de regering. Geen wonder dat de minister van oorlog meteen aan haar dacht, toen hij iemand zocht die bekwaam genoeg was om de verpleging van gewonde soldaten te reorganiseren. Duizenden en duizenden Britse soldaten lagen in de militaire ziekenhuizen op de Krim en in Turkije, onder de slechtst denkbare omstandigheden. Er was gebrek aan alles, maar vooral aan personeel. Het ontbrak zelfs totaal aan vrouwelijke verpleegsters om de soldaten te verzorgen, omdat het ministerie in het verleden slechte ervaringen had opgedaan met zulke vrouwen. Maar de families van die gewonde jongens, thuis in Engeland, kwamen zo langzamerhand in opstand. De minister moest dus wel íéts doen.

Florence wist binnen een paar dagen een team van 38 verpleegsters uit verschillende religieuze orden bij elkaar te krijgen. Met dat gezelschap vertrok ze naar het oorlogsgebied. De situatie in het hospitaal van Scutari (waar de gewonde Britse soldaten terechtkwamen) was waarschijnlijk veel en veel vreselijker dan ze zich voorgesteld had, met al dat ongedierte, en dat gebrek aan voedsel en medicijnen, en die schrikbarend onhygiënische toestanden. Maar juist onder die omstandigheden kwam haar échte talent naar boven: administratie en organisatie.

Het was eigenlijk maar gelukkig dat ze niet allereerst een zorgzame, zichzelf wegcijferende verpleegster was, die meteen de dichtstbijzijnde zielige soldaat ging troosten en verzorgen, maar dat ze als een veldheer het slagveld overzag en vervolgens de boel ging regelen. De bedden, en de voedselvoorziening, en de schoonmaak – alles wat nodig was om rust, reinheid en regelmaat terug te brengen op de ziekenzaal.

Toch stierven er in haar hospitaal meer soldaten dan in alle andere ziekenhuizen, en eerst had ze niet door hoe dat kwam. Pas toen Scutari in 1855 bezoek kreeg van een officiële gezondheidscommissie, bleek dat de barakken op een open riool waren gebouwd. Daarna pas werden er maatregelen genomen: grondige schoonmaak, betere ventilatie, desinfectie van alle gebouwen, een degelijke afvoer. Het dodental daalde meteen spectaculair.

Florence zal zich daarover hebben verheugd, maar het moet haar ook dwars hebben gezeten. Had ze al die maatregelen eerder genomen, dan had ze daarmee waarschijnlijk duizenden soldatenlevens gered – levens die nu afgesneden waren. Een van haar biografen, Hugh Small, denkt zelfs dat ze daar zo’n groot schuldgevoel aan overhield, dat al haar latere werk slechts één grote poging is om dat goed te maken.

In 1856 kwam er een einde aan de oorlog en keerde Florence Nightingale terug naar huis. De wereldberoemde missie naar Scutari was dus eigenlijk maar een korte episode in haar negentigjarige leven. Maar wél een episode die haar verdere loopbaan bepaald heeft. Ze kwam terug met een parasitaire infectie waardoor ze jarenlang ziek was en veel moest rusten, maar dat verhinderde haar niet om vanaf haar ziekbed het ene na het andere boek, het ene na het andere rapport de wereld in te sturen. En duizenden, duizenden brieven. Ze moet bijna even makkelijk hebben geschreven als gepraat.

Met al die teksten werd ze zo mogelijk nog bekender dan ze al was. Ze had niet alleen in de praktijk als verpleegster gewerkt, ze had ook grondig nagedacht over de theorie achter het vak, en ze wist hoe ze invloedrijke en geleerde mannen van haar inzichten moest overtuigen. Daarbij kwam haar hang naar wiskunde goed van pas. Met harde feiten en cijfers kon ze bijvoorbeeld precies laten zien hoe belangrijk hygiëne was in een ziekenhuis. De meeste soldaten in Scutari waren immers niet gestorven aan hun oorlogsverwondingen, maar aan (onnodige) ontstekingen en infectieziekten, zoals cholera en tyfus. Om dat inzichtelijk te maken vond ze zelfs een nieuw soort grafiek uit: het pooldiagram.

Die strijd voor hygiënische omstandigheden komt trouwens ook terug in de boeken die ze voor gewone mensen schreef, zoals ”Notes on Nursing” (”Over ziekenverpleging”, 1859). Haar adviezen zijn onverminderd actueel: Handen wassen. De kamer goed ventileren. Het toilet goed schoonmaken. Zorgen voor zuiver water. Infectieziekten voorkómen is immers beter dan ze genezen.

Met dat alles werd Florence Nightingale zo beroemd dat ze voortdurend gevraagd werd om mee te werken aan officiële onderzoekscommissies. Er werd een fonds opgericht voor een echte verpleegkundige opleiding, helemaal volgens haar ideeën. Zelfs staatshoofden, onder wie de Duitse keizer en de Nederlandse koningin Sophie (vrouw van koning Willem III), kwamen bij haar adviezen vragen. Haar werk inspireerde Henri Dunant in 1863 bij de oprichting van het Rode Kruis. Door haar opgeleide verpleegsters trokken de wereld in, om overal de nieuwe ideeën over gezondheidszorg in de praktijk te brengen. Zo werd Florence Nightingale de grondlegster van de moderne verpleegkunde – niet voor niets werd haar geboortedag, 12 mei, in 1974 uitgeroepen tot internationale Dag van de Verpleging. Al tijdens haar leven werd ze een soort legende.

In de negentig jaar van haar bestaan heeft ze meer bereikt dan welke vrouw van haar generatie ook. Ze was geen echte feministe, maar met haar voorbeeld liet ze wél zien dat ook vrouwen een belangrijke en gewaardeerde taak in de maatschappij konden vervullen. Ze stierf op 13 augustus 1910, in haar slaap. Haar familie kreeg een begrafenis in Westminster Abbey aangeboden –een uitzonderlijk grote eer– maar koos voor een eenvoudig graf op het kerkhof van St Margaret’s Church in East Wellow, Hampshire, met een gedenksteen waarop slechts haar initialen en de data van haar geboorte en dood vermeld staan.

De Dame met de Lantaarn

Het is een prachtig plaatje, de dame met de lantaarn. Er zijn romantische schilderijen van gemaakt, en nog romantischer gedichten. Zoals het vers van Henry Wadsworth Longfellow, ”Santa Filomena” (1857). Een vertaald fragment:

Maar in dat huis vol zwarte damp

zweeft ’s nachts een dame met een lamp,

van bed tot bed, en waar zij is

beweegt de duisternis.

Het lijkt een droom vol troost en rust –

een sprakeloze zieke kust

de schaduw die over hem heen

tegen de muur verscheen.

Alsof er even, een moment

een hemeldeur geopend werd,

alsof een visioen verscheen,

dat mét het licht verdween.

Mede dankzij dit gedicht werd het een populair gebruik om Florence Nightingale (1820-1910) aan te duiden als ”the Lady with the Lamp”. Maar het beeld van de verzorgende engel die troost brengt waar ze maar komt, lijkt geromantiseerd. Volgens Nightingales biograaf Mark Bostridge deed ze haar nachtelijke rondes niet zozeer uit zorg voor de gewonden als wel uit behoefte haar personeel te controleren: ze was bang dat de verpleegsters stiekem met de patiënten zaten te drinken – of erger.