Oude evangelische baard of klassiek vrijgemaakte baard

Ds. Minderman. beeld RD

Onlangs attendeerde iemand me erop dat steeds meer theologen van reformatorischen huize zich een baardje aanmeten. Mij was het ook al opgevallen. Het is zo’n model dat je veel bij jonge managers ziet. Ze staan ’s morgens wat te ver bij hun scheerapparaat vandaan, zei een oud-collega.

Een kenner van het piëtisme deed ooit onderzoek naar de haardracht, baarden en beffen van oudvaders. Hij vergeleek hun portretten met die van liberale tijdgenoten. De uitkomst was opvallend. Mannen als Comrie en Brakel kapten en kleedden zich volgens de laatste mode. Er is niet veel ruchtbaarheid aan dat onderzoek gegeven.

De kapsels, snorren en baarden van predikheren fascineren me al geruime tijd. Die van 16e-eeuwse gereformeerde theologen stralen daadkracht uit. Bekijk de baard van Plancius of de woeste snor van Revius. Deze heren hadden ook achter het roer van een oorlogsbodem kunnen staan. Over hun geestverwanten die een eeuw later leefden, heb ik het al gehad. Baarden en knevels werden ingewisseld voor gladde kinnen en gepoederde pruiken.

Ook het recentere verleden levert boeiende informatie op. Neem de originele evangelische baard, lang en ruig. Duidelijk is dat de drager weigert zich te laten knechten. „Nicht führen aber wachsen lassen.” Je ziet dit exemplaar nog maar zelden. De neo-evangelische generatie is meer van het führen, getuige de populaire term ”kerkelijke leiders”. Tegenhanger van de oude evangelische baard was de klassiek vrijgemaakte baard; zorgvuldig getrimd binnen strak vastgestelde lijnen. De kerkelijke en dogmatische lijnen zijn intussen vervaagd, de vrijgemaakte baard ging teloor.

In behoudend reformatorische kring zijn baard en snor verdacht of zelfs contrabande, door gebrek aan historisch besef. De christelijke gereformeerde voorman ds. F.P.L.C. van Lingen, de bewonderde en verguisde ds. J. P. Paauwe, de beminnelijke ds. H.A. Minderman van de Gereformeerde Gemeenten, het waren mannen met baarden. Van het genre schippersbaard: ze voelden zich roerganger. Ooit kwam een bebaarde docent solliciteren op een reformatorische school. „Wat komt dáár aanlopen”, vroeg een bestuurslid geërgerd. Waarop een medebestuurder antwoordde: „Iets wat het midden houdt tussen Minderman en Bogerman.”

En dan dat ondefinieerbare model van tegenwoordig. Hoe moet je dat duiden? Ik durf er nog geen uitspraak over te doen. Eén ding weet ik wel: zolang de eigenaar een helder geluid laat horen, zit het wat mij betreft met die baard wel snor.