Millimeterwerk met potlood en gum

Tegen de winterdip
beeld RD, Anton Dommerholt
8

Sluimerende behoeftes kun je lang negeren, maar ze steken zo nu en dan toch weer de kop op. Deze winter besloot ik daarom om eens werk te maken van de latente wens om zelf patronen te leren tekenen. Voor een rok, om mee te beginnen.

Niet gehinderd door enige kennis zette ik als tiener de eerste schreden op het pad van de zelfmaakmode. Aan de hand van een patroon uit een modeblad, waarvan er thuis altijd wel een aantal rondzwierven. Met wisselend succes, dat moet gezegd en dat spreekt eigenlijk ook wel vanzelf. Het ene project werd gedragen tot het tot op de draad was versleten, het andere belandde mislukt ergens in een kast. Een combinatie van (on)handigheid, (on)gelukkige stofkeuze en de kloof tussen een op de gemiddelde mens gebaseerd patroon en je eigen figuur.

Al doende leert men, zeker. Maar zo’n standaardpatroon, dat bleef in mijn ervaring toch een soort mal waar je jezelf in moet persen. En waar je ook niet straffeloos zomaar wat aan kunt veranderen. Er zit een bepaalde logica achter, ontdek je met vallen en opstaan. En dat komt best precies. De pasvorm van een grotematenjurk aanpassen door van alle patroondelen rondom een paar centimeter af te knippen: dat is geen goed idee. Over pogingen om op grond van de instructies (en met behulp van handige instructiefilmpjes) bijvoorbeeld de bovenwijdte of de mouwinzet van een model aan te passen voelde ik me ook maar matig gelukkig. Op grond van een tabel bepalen welke maat je het best aan kunt houden is trouwens al een hele puzzel.

Treurig werkstuk

Ik probeerde weleens iets los van een door iemand anders bedacht patroon, maar dat werd vaak niet echt wat. Zo heb ik weleens een rok nagemaakt aan de hand van een versleten favoriet. Een kwestie van precies kopiëren. Dacht ik. Maar het pakte helaas niet goed uit. De stof was heel anders –veel sluiker– dan die van het origineel, waardoor het een nogal treurig werkstuk werd.

Een vroeg experiment waarbij ik uit de losse pols van een geplooid stofje een blouse dacht te maken liep op een mislukking uit. De ronding van hals en armsgat, laat staan de verhoudingen van een mouw: dat heb je zo maar niet door.

Een paar jaar geleden raakte ik gecharmeerd van de zeer eenvoudige en patroonloze aanpak van ontwerpster Pieke Stuvel. Zij bedacht een methode om jurken uit een stuk te maken. Het enige wat je hoeft te doen is een paar cruciale lichaamsmaten als bovenwijdte en heupomvang opmeten. Aan de hand daarvan teken je zelf met een paar lijnen de contouren van een jurk die binnen een uur in elkaar zit. De mouwen zijn aangeknipt, figuurnaden komen er niet aan te pas, hoe simpel wil je het hebben.

Een nadeel van deze aanpak is dat het resultaat nogal vormeloos is en dat de methode zich alleen loont voor stoffen met veel stretch. Misschien leuk als je 18 bent en maat S hebt, maar ik was er al snel weer op uitgekeken.

Ergens achterin mijn hoofd sluimerde al jaren de latente wens om het zelf te leren: patronen tekenen. Maar op de een of andere manier was de drempel om die behoefte in daden om te zetten best hoog. De voor de hand liggende route –een officiële coupeuseopleiding volgen– kwam me nogal serieus en tijdrovend voor. Zo graag wilde ik het nou ook weer niet. Bovendien had ik niet zo’n trek in het bijbehorende groepsproces. Misschien ten onrechte, maar ooit volgde ik een winter naailes, wat in mijn herinnering vooral bestond uit wachten op instructies van de docent en veel geklets. Niets mis met gezelligheid, maar wel als je in de leergierige stand staat.

Aan de keukentafel

Dit najaar stuitte ik op een alternatieve manier: via de LOI (inmiddels omgedoopt in NCOI). Nooit aan gedacht, maar dat leek me wel wat. Gewoon thuis aan de keukentafel met potlood en papier in de weer, in je eigen tempo, met een docent op afstand die als het ware over je schouder meekijkt.

De crux zit hem in dat ”als het ware”: daarvoor moet je als leerling wel wat doen. Namelijk: foto’s van de stappen die je hebt gezet opsturen.

Ik besloot me in te schrijven en kreeg na een paar dagen een doos thuis bezorgd met daarin een bewaarmap, cursusmateriaal en het zogenaamde studiomaatje – een soort meetlat om handig op schaal te kunnen werken. O ja, en er zat ook nog een code bij om in te kunnen loggen op de website, waar onder andere het hele programma dat je geacht wordt af te werken te vinden is.

Ik meldde me daar braaf aan, al bleef het daar in eerste instantie ook bij. Iets nieuws beginnen klinkt aantrekkelijk, maar als het op daden aankomt kun je je er ook onzeker over voelen. In de weer met potlood en gum: hoe lang was dat wel niet geleden? En zou ik er bovendien wel wat van bakken?

Als je je inschrijft voor een cursus in de gewone wereld word je op een bepaalde tijd ergens verwacht. Bij zo’n online cursus wacht de docent geduldig af tot jij weer eens een opgave instuurt, wat dus wel een valkuil is.

Maar het kwam goed. Na een paar weken installeerde ik me met een stapeltje papier, potlood, het studiomaatje, een geodriehoek en een verse gum aan tafel en sloeg ik het cursusboek open. Na een paar basale opdrachten begon al snel het echte werk, voorafgegaan door de opdracht om een aantal lichaamsmaten te bepalen.

Bijvoorbeeld de zogenaamde heup- hoogte: de afstand tussen de taille en het breedste deel van het onderlichaam. Ik kende de term niet. En bij de relevantie ervan had ik dus ook nog nooit stilgestaan. Maar die bleek al snel. Of je nu een rechte, een gerende (zeg maar: licht uitlopende) of een klokrok tekent: in alle gevallen is de heuphoogte een van de belangrijkste gegevens waarop je tekening gebaseerd is. Eigenlijk ook heel logisch. Maar je gaat het pas zien als je het doorhebt, om een bekend gezegde te parafraseren.

Stap voor stap onthult de cursus allerlei ‘wetten’ die ik niet kende maar waarvan ik het bestaan wel vermoedde. Bijvoorbeeld waar je coupenaden in een rok plaatst. En hoe diep je ze maakt. Het effect van het verwerven –en toepassen– van die kennis is een heel tevreden gevoel. Zeker als de docent als commentaar bij een opgave opmerkt dat er netjes is gewerkt en alle punten die er te verdelen zijn toekent. Alsof je op school net hebt geleerd wat breuken zijn en vervolgens een tien krijgt voor het eerste proefwerk over dat onderwerp.

Klokkend

De bedoeling van het cursusmateriaal –ik ben nog niet verder dan de afdeling rokken– is dat je veel oefent met de voorbeelden die in de tekst worden beschreven. Eerst een cirkelrok, daarna een rechte rok, vervolgens een klokkend model en eentje met een stolpplooi, steeds op basis van je eigen maten. Daar gaat best veel tijd in zitten, maar het is eigenlijk ook wel een prettige bezigheid op een donkere wintermiddag: punten uitmeten, met een potlood netjes lijntjes trekken en eventueel fouten met een gum herstellen. Een soort slow fashion, waarbij ik sterker dan bij het overnemen van een patroon het idee heb ik dat ik zelf iets maak in plaats van namaak.

Het blijkt ook nog eens een overzichtelijke bezigheid te zijn. Althans: zolang het bij het tekenen van de patroondelen blijft. Alles gaat namelijk op schaal. In veel gevallen: een op vijf, aan de hand van het bij de cursus horende meetlatje. Zodanig verkleind kun je zonder problemen de delen voor een rok op een A4’tje kwijt. Dat werkt handig en compact. Een wereld van verschil met het gehannes met een patroonblad uit een modeblad, dat vaak groter is dan een tafel.

Ergens voelt het trouwens ook een beetje als dromen, dat patroontekenen. Ik aarzel om de volgende stap te zetten: zo’n patroon op schaal op ware grote uittekenen en de schaar in een lap stof zetten. Zoals bij elk naaiproject.

serie Tegen de winterdip

Iets nieuws leren is goed voor je brein. Volgende week deel 4: Gerard gaat stuken.