In het Spaanse bergstadje Ronda blijven de toeristen weg

De stierenvechtarena van Ronda (1785) is de oudste van Spanje. Ronda geldt als de bakermat van het hedendaagse stierenvechten. beeld Lex Rietman
11

Toerisme is een van de zwaarst getroffen sectoren in de coronacrisis. Hoe kijkt een stadje dat leeft van het toerisme tegen de nabije toekomst aan? Een bericht uit Ronda, een monumentaal bergstadje in het binnenland van de Costa del Sol.

In Ronda kom je niet zomaar. Je moet er echt heen willen. Niet dat dat een straf is, integendeel. Maar het monumentale stadje, ingeklemd tussen de bergen in het binnenland van de Zuid-Spaanse provincie Málaga, ligt simpelweg op geen enkele belangrijke handelsroute. Grote doorgaande wegen waren tot voor kort tot in de wijde omtrek niet te vinden.

Lange tijd was dit een vergeten gebied. Industrie was er niet. De mensen leefden zoals ze eeuwenlang geleefd hadden: van de land- en tuinbouw, de veeteelt en een beperkte dienstensector. Ronda heeft 34.000 inwoners, en dat zijn er praktisch evenveel als een eeuw geleden. De streek waar Ronda de hoofdplaats van is, de Serranía de Ronda, is bergachtig, dunbevolkt en geïsoleerd van de buitenwereld.

Met de opkomst van het toerisme, in de tweede helft van de vorige eeuw, bleek dit isolement ineens goud waard. „Nutteloze” oude monumenten waren hier nooit gesloopt om plaats te maken voor stadsuitbreiding. De omgeving was van ingrepen door de mens gespaard gebleven. Toen Spanje in de jaren zeventig een toeristenbestemming van betekenis begon te worden, kwam nog steeds niemand per ongeluk in Ronda terecht. Maar met opzet kwamen ze wél, en wel met busladingen tegelijk. Om een dagtrip te maken vanuit de grote toeristencentra aan de Costa del Sol, of om te verblijven in een van de talrijke hotels in de stad.

Afgelegen ligging

Nu de wereld in de greep is van de coronapandemie en Spanje koploper besmettingen in Europa is, blijkt de afgelegen ligging opnieuw een voordeel te zijn. In de Serranía de Ronda, een gebied van 1200 vierkante kilometer met 50.000 inwoners, zijn tot eind april amper honderd gevallen vastgesteld. Dat is minder dan de helft van het landelijk gemiddelde.

Vanuit het oogpunt van volksgezondheid is de toestand in Ronda naar verhouding gunstig. Maar de economische gevolgen van de pandemie komen er des te harder aan. Meer dan de helft van het geld dat in de plaatselijke economie verdiend wordt, komt uit de toeristensector. En die ligt nu plat. „Op 15 maart, toen de alarmtoestand werd uitgeroepen, hebben we al onze activiteiten gestaakt”, zegt wethouder Alicia López van Toerisme. „Vanaf dat moment zijn alle monumenten, hotels en de horeca gesloten. Nu staat de gezondheid van de bevolking voorop. Maar intussen leven we in grote onzekerheid. We hebben geen idee wanneer we weer kunnen openen.” Inmiddels is duidelijk dat vanaf half mei de hotels mogen openen met de helft van hun capaciteit. Het verbod om buiten de eigen provincie te reizen, blijft in Spanje ten minste van kracht tot eind juni.

Dagjesmensen

Jaarlijks ontvangt Ronda zo’n 2 miljoen toeristen. Het merendeel bestaat uit dagjesmensen die vanuit hun hotel aan de Costa del Sol de stad bezoeken. Toch heeft Ronda met 400.000 overnachtingen per jaar ook een groot aanbod aan hotels. Een kwart miljoen hotelgasten zijn buitenlanders.

De meeste toeristen in Ronda komen uit Europa: Britten, Duitsers, Fransen, Italianen, Belgen en Nederlanders. Voor de rest zijn het voornamelijk Noord-Amerikanen, Chinezen, Koreanen en Japanners die de stad bezoeken. In veel gevallen zijn het dus inwoners van landen die zwaargetroffen zijn door de coronapandemie. Bovendien zijn de Noord-Amerikaanse toeristen in Ronda met name bejaarden, de grootste risicogroep in de coronapandemie.

De bezorgdheid is groot. Meer dan de helft, misschien driekwart van de plaatselijke banen staat op het spel. Zolang er geen vaccin of medicijn tegen Covid-19 bestaat, zullen de toeristen –vooral de buitenlandse– vermoedelijk niet snel terugkeren. Of omdat ze door de sanitaire maatregelen niet kúnnen reizen, of omdat ze na terugkeer in hun land in quarantaine moeten. Dat schrikt potentiële reizigers af.

Niemand weet hoe het luchtvervoer uit de coronacrisis tevoorschijn zal komen. Maar dat daar zware klappen zullen vallen, lijdt geen twijfel. Het ligt voor de hand dat door faillissementen het aanbod aan vluchten zal afnemen. Tegelijk zal ook de vraag naar vliegreizen instorten, verwacht econoom Guillem López Casasnovas van de universiteit Pompeu Fabra in Barcelona. Aan de ene kant doordat de prijzen omhoog schieten omdat vliegtuigen niet meer zo propvol gestouwd kunnen worden als voorheen. En anderzijds doordat reizigers het vliegtuig mogelijk mijden als een bron van infecties.

Voor de korte termijn is de hoop in Ronda dan ook gevestigd op gasten uit de nabije omgeving. „We gaan ons nu in eerste instantie richten op het regionale en nationale toerisme”, zegt Alicia López van de gemeente Ronda. Dat wil zeggen, bezoekers uit Andalusië en de rest van Spanje. Maar dat zal bij lange na niet toereikend zijn om het gat van het internationale toerisme op te vangen.

Bezinning

Het zijn tijden van bezinning. Maar voor een stad als Ronda, waar het toerisme van economisch levensbelang is, valt geen tijd te verliezen. En dus wordt er koortsachtig gezocht naar praktische alternatieven die de buitenlandse bezoeker weer naar Ronda moeten lokken zodra de sanitaire toestand dat weer enigszins toelaat.

„We hebben al veel ideeën over de manier waarop we een meer kleinschalig en duurzaam toerisme kunnen bevorderen”, zegt wethouder López. Ze denkt aan het uitzetten van fiets-, wandel- en paardrijtochten door het bergachtige landschap van de Serranía de Ronda. Wijnliefhebbers kunnen terecht in een van de 24 plaatselijke bodega’s. Georganiseerde bezoeken aan deze kleine, ambachtelijke wijnhuizen passen in het nieuwe toeristische model. Aan de kwaliteit van de wijnen ligt het volgens López niet. Haar droom is dat de wijn uit Ronda zich in de toekomst kan meten met die uit Jeréz, Ribera del Duero of La Rioja.

Kleine groepen

Armando Gil leidt al veertig jaar toeristen rond in Ronda. Tot nu toe waren dat vaak groepen van veertig of vijftig mensen. Die tijd is voorbij. „We zullen ons moeten instellen op kleine groepen”, zegt Gil. „En om de risico’s te beperken zouden die groepen dan vooral moeten bestaan uit mensen die elkaar kennen.”

Toerisme zonder opeenhoping van mensen. Dat is ook de leidraad waarmee de Europese Unie deze zomer nog enigszins wil redden. Europees commissaris voor de Interne Markt Thierry Breton is gematigd optimistisch. Hij erkent dat de bewegingsvrijheid vooralsnog beperkt zal zijn. Maar tegelijk vertrouwt hij erop dat er binnen de Europese Unie toch snel weer gereisd kan worden.

„We zullen een manier moeten vinden om een zekere mate van mobiliteit in de zomer mogelijk te maken”, zei Eurocommissaris Breton onlangs. Kort daarop klonk vanuit Duitsland echter een heel ander geluid. „Alles wijst erop dat we deze zomer in eigen land moeten blijven”, zei de Duitse staatssecretaris voor Toerisme Thomas Bareiss.

In Ronda houden ze hun hart vast.

Onbeschrijflijke schoonheid

Er is geen reden om beroemde schrijvers zomaar op hun woord te geloven. Maar als uiteenlopende grootheden als James Joyce, Rainer Maria Rilke, Jorge Luis Borges en Ernest Hemingway onder de indruk waren van Ronda, dan zegt dat misschien toch wel iets. Volgens Rilke is de schoonheid van de stad onbeschrijfelijk, dus die beschrijving gaan we hier ook niet proberen. Het beste is om gewoon zelf te gaan kijken, zodra dat weer kan.

Hét handelsmerk van Ronda is de diepe kloof die de rivier Guadalevín (”Melkrivier” in het Arabisch) heeft uitgesleten in de rotsbodem. De kloof scheidt het oude Moorse stadscentrum van het nieuwere stadsdeel. Onder de Puente Nuevo, de spectaculairste van de drie bruggen die beide stadsdelen verbinden, is de kloof zo’n 100 meter diep. De bouw van de brug, opgeleverd in 1793, duurde 42 jaar.

De stierenvechtersarena (Plaza de Toros) is lang niet de grootste van Spanje, maar wel de oudste en een van de befaamdste. Ronda geldt als de bakermat van het moderne stierenvechten. Of je ervan houdt of niet, het museum in de arena biedt een interessant inzicht in wat voor de liefhebbers een vorm van kunst is.

Ook zeker niet vergeten om de kerk van Santa María la Mayor te bezoeken. Het gebedshuis uit de vijftiende eeuw was oorspronkelijk een moskee. Na de verovering van de stad op de Moren maakte Fernando ”de katholiek” er een kerk van. Vanaf het dak heb je een schitterend uitzicht over de stad en omgeving. Uit de islamitische periode (713-1485) stammen ook de Arabische baden (”baños árabes”). Ze zijn bijzonder goed geconserveerd.

Vlakbij ligt het wijnmuseum, gevestigd in een Andalusisch paleis dat meer dan duizend jaar oud is. Het museum geeft een overzicht van de geschiedenis van de wijncultuur, en de plaats daarvan in de mythologie en religie. In de patio kun je plaatselijke wijnen uit het vat proeven.

Naast het museum Casa Don Bosco, een modernistische parel met uitzicht op de kloof en de Puente Nuevo, is het struikroversmuseum (Museo del Bandolero) de moeite waard. Het is het enige museum in Spanje dat gewijd is aan dit fenomeen, dat de gevestigde politieke en economische macht uitdaagde als een antwoord op armoede en sociaal onrecht.

Wie van snelheid houdt, kan zich uitleven op het racecircuit Ascari even buiten de stad. Initiatiefnemer en eigenaar is de Nederlander Klaas Zwart.

De toeristenstroom in Ronda is redelijk verspreid over het jaar en kent geen extreme pieken. De drukste maanden zijn april, mei, september en oktober.