Iets nieuws leren: Mountainbiken, het is net alsof je een paard onder controle houdt

Tegen de winterdip
Ketting. beeld RD, Anton Dommerholt
10

Voor me ligt een diepte. Ik heb maar één zorg: hoe houd ik die fiets in toom? Hoe kom ik netjes –en heel– die heuvel af. Want voor andere dingen, dagelijkse beslommeringen en zo, is op zo’n cruciaal moment simpelweg geen plek.

Toen ik ’s morgens vroeg het bakje met appelschillen leegschudde boven de groene container wist ik het zeker. Ik stond met één voet buiten en met de andere nog in de bijkeuken. Die frisse lucht om me heen! Dat windje! Ik twijfelde niet meer: als ik iets nieuws wilde leren wat me nieuwe energie zou gaan geven, moest dat iets in de buitenlucht zijn. Maar wat? Een cursus snoeien? Helaas, zo vroeg in het seizoen kon ik nergens terecht (even later, maar nét te laat, las ik over een heel geschikte fruitbomensnoeidag). Ik dacht zelfs even aan bootcamp –tijgeren door nat gras en modder– maar durfde dat toch niet aan.

Stoere fiets

Liever iets minder spannends. Mountainbiken of zo. Want fietsen kan ik alvast – en doe ik graag. Dat mountainbiken minder uitdagend zou zijn dan zo’n kruip-en-sluipworkout in de natuur was een misrekening. Ik hield weliswaar nog geen schrammetje over aan dit avontuur – het was op z’n zachtst gezegd spectaculair en grensverleggend. Maar daarover later meer.

Ik had vooral vage, lieflijke herinneringen aan een mountainbiketochtje dat ik ooit als tiener in Duitsland maakte. Met mijn moeder, die ook best eens op zo’n stoere fiets wilde klimmen. We gingen over paden en langs korenvelden. Soms zoefden er auto’s met hoge snelheid voorbij. Dat was spannend, zeker op bochtige wegen. Ik vraag me af of we een helm droegen, ik vrees van niet.

Daar kom ik op deze grijze zaterdagochtend niet mee weg. „Veiligheid voor alles”, is een van de eerste dingen die instructeur Erik Metternich zegt, als hij een fietshelm uit de achterbak van zijn auto haalt. De Twentenaar is in het dagelijks leven global key accountmanager, maar geeft op vrije dagen graag mountainbikeles. „Geen hoofd is hetzelfde,” zegt hij, terwijl hij en passant twee fietsen uit de auto haalt en in elkaar zet. „Koop dus nooit een helm op internet.” Intrigerend trouwens, dat er twee mountainbikes in zo’n auto passen.

Grijze muis

Eerder die ochtend stonden we –ik mag tijdens de moutainbikeclinic iemand meenemen– nog voor openingstijd bij een fietsenwinkel. Om een exemplaar te huren, want drie fietsen in de achterbak was geen optie. Het voelt goed: zo’n ruige, maar superlichte fiets meenemen. Een ochtend lang doen alsof jij de trotse bezitter bent.

Maar die euforie duurt kort: bij de twee blitse fietsen die Erik meebrengt valt dit degelijke grijze model in het niet. „Een old school mountainbike”, zegt hij. Mooie term, maar het klinkt toch een tikje misprijzend. Zíjn fietsen hebben zo’n beetje alles wat onze grijze muis mist: felle kleuren, vering voor en achter, een hendeltje waarmee je tijdens het rijden je zadel kunt verstellen.

„Mountainbiken is een risicosport” – Erik wil het maar gezegd hebben en ik wil het eigenlijk niet horen. Naïef misschien, maar daar had ik niet zo over nagedacht. Gelukkig hoor ik pas na de training van diverse kanten verhalen over serieuze mountainbikeblessures.

Enfin, ik ben niet van plan om gekke dingen te doen. Geen stunts, zoals die mountainbiker op het filmpje dat mijn 8-jarige zoon me pas liet zien: die maakte een indrukwekkende salto. Nee, ik heb een ander idee van mountainbiken. Gewoon eerst maar een rondje over het parkeerterrein. Lekker fietsje. De versnelling is lastig. Wat wil je, met dertig stuks. Ik blijf er de hele clinic mee worstelen. En dat is bij een klim niet handig, zo blijkt later.

Remmen

„Wat moet je in elk geval kunnen als je gaat mountainbiken?” roept de instructeur. Balanceren misschien? Trappen? Sturen? Fout. „Remmen. Als je dat niet kunt heb je een probleem.” O ja. „En waar zou je mee remmen, met de voor- of achterrem?” Met allebei, lijkt me. Veel met de achterrem en een klein beetje met de voorrem? Want als je daar hard in knijpt sta je wel heel abrupt stil, merkte ik al. „Het is precies andersom: 80 procent met voor, 20 procent met achter.”

Tijd om het waarom van deze remregel te gaan begrijpen. De opdracht is simpel: fiets een rondje, rem bij de eerste pion en sta stil bij de tweede. Gebruik alleen de achterrem. Zodra de vaart er stevig in zit, is het onmogelijk om op tijd stil te staan. En dat is precies wat Metternich wil laten zien: met alleen de achterrem red je het niet.

Dan een oefenmomentje met de voorrem. Rustig beginnen. Wow, even remmen en je staat stil. En bij de volgende rondjes, met meer vaart, nog steeds. Ik sta vaker ruim vóór de tweede pion stil dan netjes ter hoogte ervan. „Sneller!” roep de trainer. En bij het remmen: „Ga uit het zadel en strek je armen zodat je achterwerk achter het zadel komt. Dan help je mee.”

„Stop maar!” klinkt het al snel. De instructeur pakt zijn fiets, maakt vaart en knijpt dan zijn rem vol in. Het achterwiel vliegt een stukje de lucht in. „Dit was waar ik eigenlijk naartoe wilde. Dit gebeurt als je alleen met je voorrem remt.”

Ook maar eens proberen. „Je mag nog wel meer vaart maken”, zegt Metternich. „En remmen!” De pionnen naderen. Ik ga hard en wil het liefst vaart minderen, maar negeer die drang. Hard remmen dus. Nu. Ik doe het. En dan lig ik op mijn buik. Ergens boven mij voel ik iets van een fiets. Ik heb geen idee wat er is gebeurd. Ik weet alleen dat ik net op de fiets zat en nu niet meer. „Gaat het?” hoor ik. „De fiets maakte een salto.” Ik heb geen pijn, geen schrammetje, geen blauwe plek. Helemaal niks. Ik ben wel onder de indruk dat dit zomaar kan gebeuren. Maar ergens voelt het ook vrij, dit. Ik lig languit op de grond op een bospad. Zomaar, op een zaterdagochtend in februari. Dat ik zo soepel kan neerkomen – nooit geweten.

Eerlijk is eerlijk: erna sta ik een beetje wiebelig op mijn benen. Meteen maar een rondje fietsen. Veel tijd om na te denken is er niet. We moeten verder met de les. Op zoek naar heuveltjes. Geen probleem voor de docent van vandaag: hij kent het compacte gebied hier, dat graag wordt gebruikt door mountainbikers, goed. Eerder volgde hij hier zelf een intensieve opleiding tot professioneel mountainbike-instructeur.

Ai. Tegenvaller. Op de beoogde plek traint net een groep kinderen. Ze bewegen zich soepel door het heuvelachtige gebied. Waarom zit ik dan zo onzeker op mijn fiets als ik een bergje af wil? Ik voel me, ondanks alles wat we al hebben geoefend, ineens weer een beginner.

Adrenalinekick

Eerst maar eens een paar rustige heuveltjes pakken. Gaat prima. Die grote helling daar, zou ik die kunnen bedwingen? Verder dan halverwege kom ik niet. „Sta je wel in de laagste versnelling?” roept Metternich. Eh, nee, want dat lukte me niet op tijd. Dus oefen ik op vlak gebied om vlot te kunnen versnellen. Dan een nieuwe poging. „Maak je klein, knieën dicht bij elkaar”, moedigt de instructeur aan. „Dóórgaan!” Weer niet gelukt. En nee, een aanloop nemen heeft geen zin, begrijp ik. Rustig beginnen en trappen, trappen, trappen. Maar steeds als ik bíjna boven ben heb ik het gevoel dat mijn fiets naar beneden gaat glijden en haak ik af. „Ik zou doorgaan”, zegt Metternich. „Ga een beetje naar links, daar is het zand minder mul.” Ik besluit al snel dat hier voor nu mijn grens ligt. Ik wil ook nog aan de slag met afdalen.

Want die hogere hellingen, hoe ga je daar nu vanaf? Hard van een berg af rijden kan iedereen, leerde ik eerder vandaag. Stapvoets rijden is het moeilijkst. Waarom lijkt een helling als je er pal voor staat ineens zo steil naar beneden te lopen?

„Je kunt het!” hoor ik. „Je hebt de techniek geleerd!” Ik doe het niet. Niet voordat ik het minder steile heuveltje ernaast uitprobeer. Dat bezorgt me ook nog een heuse adrenalinekick – maar allez, het lukt, al gaat het te hard. Meer remmen, luidt de instructie. Meer naar achteren hangen. Zadel tussen je dijbenen klemmen. Opnieuw naar de eerste helling maar. Weer sta ik stil, vlak voor ik naar beneden zou rijden. „Gewoon gaan”, adviseert Metternich. „Doorrijden.” Ik wil dit kunnen. Zeker na de niet geslaagde beklimming. Maar wat zou er gebeuren als ik van schrik te fanatiek in de voorrem knijp? Maak ik dan weer een salto?

Ik stuur in de richting waar ik eigenlijk niet naartoe wil. Ik ga! Remmen nu. Stapvoets gaan. Ai, te veel naar links. „Vooruitkijken!” hoor ik. „Verder weg kijken! Waar je naar kijkt, daar ga je naartoe!” Metternich staat onder aan de heuvel, daar waar ik ongeveer moet uitkomen. „Hoeveel vingers steek ik op?” Ik twijfel – durf ik mijn blik van mijn voorwiel te halen? Twee vingers, geloof ik. Maar het belangrijkste: ik ben beneden.

Meteen nog maar een keer. Verder weg kijken, spreek ik mezelf toe. Zadel goed vastklemmen. Het voelt niet alsof ik op een fiets zit, eerder alsof ik een paard onder controle houd. Een fantastisch gevoel. „Je gaat mooi recht!” hoor ik. Dit had ik nooit op deze manier gekund zonder het oefenen van de techniek, besef ik. „Als je de training niet had gedaan, was je deze berg helemaal niet af gegaan!” zegt Metternich. Hij heeft gelijk. Ik heb deze ochtend echt wat nieuws geleerd.

>>bikexplorer.nl

serie Tegen de winterdip

Iets nieuws leren is goed voor je brein (deel 6, slot).