Experimenteerdoos biedt grootse ontdekkingen voor nieuwsgierige kinderen

beeld iStock
4

Zelf kristallen maken, ontdekken hoe een vulkaan werkt of leren wat elektriciteit is: ontdekkingsdozen zijn niet meer weg te denken uit speelgoedwinkels. Wát is het geheim van een goede doos en leren kinderen ervan?

Kinderen ontdekken graag de wereld om hen heen – spelenderwijs en al onderzoekend. Nieuwsgierige kinderen kunnen grootse ontdekkingen doen met een experimenteerdoos. Wat levert zo’n doos eigenlijk op?

„Je leert logisch redeneren, vooruitdenken, een groot probleem analyseren en in stukjes hakken, en ontdekken dat bouwen ook gewoon leuk is”, somt Henk Averesch op. Daarmee heeft de docent wetenschap en technologie aan hogeschool Viaa in Zwolle nog niet eens alles genoemd. De ontdekkingssets helpen namelijk om nog tal van andere vaardigheden te ontwikkelen. „Het bouwen van zo’n set kan frustraties oproepen”, noemt Averesch als voorbeeld. „Door dit soort setjes leer je daar mee omgaan.” En om niet meer te noemen: gebruikers van de dozen leren dat je veel dingen om je heen kunt maken. „Er zijn setjes op allerlei gebied: scheikundig, technisch, natuurkundig, bouwkundig”, aldus Averesch. „Of je nu kristallen wilt maken of een inbraakalarm bouwen, er bestaat altijd wel een apparaatje dat dat kan bieden.”

Kookboekrecept

Toch zijn al die competenties meer ‘algemene’ vaardigheden: niet onmisbaar, en je kunt ze ook op andere manieren leren. Hoe zit het dan eigenlijk met de inhoud van die experimenteerdozen?

„Je leert wel wat zo’n bouwdoos doet, maar vaak minder goed hoe hij nu eigenlijk werkt”, stelt Averesch. Een gemiddelde ontdekkingsset bestaat volgens de pabodocent „uit een boekje en een goede ondersteunende website die bijvoorbeeld via een QR-code bereikbaar is.” Toch vindt hij de inhoud „best beperkt.” „Of je inhoudelijk ook iets leert? Ik vraag het me af.” Dat heeft volgens hem alles te maken met de opzet van de dozen: „Je krijgt een kort doel, gevolgd door een kookboekrecept –doe dit, doe dat– en aan het einde is het klaar. De echte kennis moet je opdoen met achtergrondinformatie.” Kortom: met de dozen bouw je een product, maar sta je te weinig stil bij het hoe en waarom van dat product.

Averesch is zelf een groot voorstander van onderzoekend leren: „Gebruikers zouden op basis van een vraag of probleem zelf op onderzoek moeten gaan. Dit soort setjes bieden dat niet.” Als voorbeeld noemt hij een ontdekkingsset waarbij kinderen een auto op zonne-energie bouwen. „Je kunt zo’n auto in elkaar zetten, maar dan houdt het op. En als die niet werkt, kun je heel gefrustreerd raken. Maar waarschijnlijk staat dan niet in de handleiding dat dit bijvoorbeeld aan het vermogen van de zonnecellen ligt. Terwijl dát juist de essentie is.” Zijn conclusie: de setjes zijn leuk om te spelen en experimenteren, maar ontberen de diepgang waardoor kinderen écht leren.

Dat roept de vraag op wat dan het geheim is van een goede set. „Bij een goede set moet je meer dan één ding kunnen”, vertelt Averesch gedreven. „Er zit bijvoorbeeld een vervolgmogelijkheid in en de set daagt uit tot vragen die je met de wereld om je heen kunt beantwoorden. Daardoor leer je verder, óók als je klaar bent met de doos.” Fabrikanten zouden dat volgens de docent kunnen bereiken door extra onderdelen in het doosje te stoppen. „Neem bijvoorbeeld een experimenteerdoos voor een windmolen. Als de molen gebouwd is, zou een extra opdracht kunnen zijn om te bedenken hoe je het molentje sneller of langzamer kunt laten draaien. Of doe een windmeter in de doos en laat kinderen eens kijken hoe ze de windsnelheid kunnen verhogen. Je moet vervolgvragen stellen en niet direct antwoorden geven.”

Voorsorteren

Toch is Averesch niet negatief over al die verschillende experimenteersets. „Kinderen vinden het leuk en zo’n setje kan helpen om mensen zich te laten verwonderen. Dan is de waarde van een set die meer groeimogelijkheden biedt wel belangrijk.” Wel zal de een sneller zo’n doos pakken dan een ander: „Mensen die naar zoiets grijpen, hebben al interesse. Er vindt dus een soort voorsortering plaats.”

Zo’n ontdekkingsset is dus niet nodig om je ogen te openen voor techniek? „Nee”, zegt Averesch stellig. „De school en de context waarin een kind leeft, zijn belangrijker.” Dan, bedachtzaam: „Er is een onderzoek geweest waaruit de conclusie werd getrokken dat de vervrouwelijking op de pabo tot minder aandacht voor techniek leidt. Meisjes zijn over het algemeen socialer georiënteerd en minder geïnteresseerd in techniek. Dat betekent dat er in de klas minder aandacht is voor wetenschap en technologie, waardoor er minder aandacht aan techniek wordt besteed.”

Vergelijkt de docent het niveau van het aantal Nederlandse leerlingen dat een technisch beroep kiest met Europa, „dan blijkt dat we behoorlijk achterliggen.” Ontdekkingssets kunnen zo bezien wel voorzien in een behoefte, denkt Averesch. „Maar”, benadrukt hij, „uiteindelijk is je omgeving dus belangrijker. Technische dozen kunnen een alternatief bieden, maar volstaan niet.” En dan nog wat: school en de thuissituatie zijn voor kinderen toch twee verschillende werelden. „Als je thuis een educatieve setting creëert, is het brein daar niet op ingesteld.” Dat leidt al snel tot ander gebruik en mogelijk ook tot mindere leerresultaten.

Averesch blijft de experimenteerdozen toejuichen: „Ik denk dat het goed is om zo’n doos op de markt te brengen, los van de educatieve waarde. Het brengt ingewikkelde concepten namelijk wel dichter bij kinderen.” En de beste experimenteerdoos? „Die biedt een speeltje aan dat past bij een maatschappelijke ontwikkeling, is niet ingewikkeld, bevat achtergrondinformatie en nodigt uit om verder te experimenteren.” Lachend: „Kinderen moeten de bijbedoelingen spelenderwijs ontdekken. Laat ze maar aanknoeien!”