Deze drie dingen moeten anders met internet

Timothy John (Tim) Berners-Lee (Londen, 8 juni 1955) is samen met zijn toenmalig manager, de Vlaming Robert Cailliau, de bedenker en grondlegger van het world wide web of wereldwijde web (www). Hieraan werkte hij toen hij consultant-software-engineer bij het CERN in Zwitserland was, van juni tot en met december 1990.[1] Als directeur van het World Wide Web Consortium (W3C) houdt hij toezicht op de ontwikkeling van webtalen en -protocollen als HTML, XML, CSS en HTTP.

„Internet is een wezenlijk en essentieel onderdeel geworden van iedere democratie, en het is een publieke bron van informatie waarvan mensen, bedrijven, gemeenschappen en overheden afhankelijk zijn.”

Was getekend: Sir Tim Berners-Lee, die in maart 1989 zijn eerste voorstel indiende voor wat nu is uitgegroeid tot het ”wereldwijde web”. Hij constateert somber dat het openbaar houden en voor zo veel mogelijk mensen toegankelijk maken van internet met de jaren eerder ingewikkelder wordt dan makkelijker.

Zo nam Donald Trump het besluit om serviceproviders toe te staan het persoonlijke surfgedrag van hun klanten te verhandelen. „Walgelijk en weerzinwekkend”, vindt Berners-Lee. Ander voorbeeld: vrouwen, vooral in arme landen, krijgen vergeleken met mannen steeds moeilijker toegang tot internet, en daarmee wordt hun kans om de inkomenskloof te dichten kleiner. Ook blijven overheden veel te terughoudend met het ontsluiten van hun databases. Ter gelegenheid van de 28e verjaardag van ‘zijn’ internetstart schreef Berners-Lee een manifest over wat er dringend moet veranderen. Een vertaling.

Het is alweer meer dan 28 jaar geleden dat ik mijn oorspronkelijke voorstel lanceerde voor het wereldwijde web. Ik stelde me dat web voor als een open platform dat ervoor zou zorgen dat iedereen overal en altijd informatie zou kunnen delen, toegang zou kunnen krijgen tot kansen, en samen zou kunnen werken, dwars door geografische en culturele grenzen heen.

In veel opzichten heeft internet voldaan aan de verwachtingen van deze visie, al is het een voortdurend terugkerende strijd geweest om de openheid ervan te behouden. Maar gedurende het laatste jaar ben ik in toenemende mate bezorgd geworden over drie nieuwe ontwikkelingen. Die drie trends moeten we naar mijn overtuiging keren. Alleen dan kan het wereldwijde web de mogelijkheden die erin besloten liggen ten volle uitbuiten. Dan wordt het een middel of gereedschap dat de hele mensheid kan dienen.

Het eerste punt waarover ik me zorgen maak: we zijn de controle over onze persoonlijke gegevens kwijtgeraakt.

De huidige verdienmodellen van veel websites zijn gebaseerd op het vrij beschikbaar stellen van informatie in ruil voor persoonlijke gegevens. Velen van ons gaan daarin mee – al moeten we daarbij vaak akkoord gaan met een lange en verwarrende lijst van gebruiksvoorwaarden. We vinden het niet zo erg dat er wat gegevens over ons worden verzameld in ruil voor gratis dienstverlening. Maar we doorzien de truc niet. Als onze gegevens massaal worden opgeslagen in iemand anders opslagruimte, buiten ons eigen zicht, dan verliezen we de mogelijkheid om ervan te profiteren. Dat zouden we wél kunnen doen als we greep zouden hebben op de keuze met wie en wanneer we die persoonlijke gegevens zouden willen delen. Maar dat hebben we dus niet. Sterker nog, we hebben vaak niet eens de mogelijkheid om over de gebruiksvoorwaarden in discussie te gaan, er is nooit een mogelijkheid om aan te geven welke gegevens je liever niet zou willen delen – die gebruiksvoorwaarden waarmee je akkoord moet gaan zijn altijd een zaak van alles of niets.

Deze intussen wijdverbreide gewoonte van bedrijven om gegevens te verzamelen heeft ook andere gevolgen. Overheden hebben toegang tot deze gegevens –door samen te werken met bedrijven of ze te dwingen die gegevens af te staan– en hebben dus een steeds nauwkeuriger zicht op wat we online allemaal doen. En er worden steeds meer vérgaande wetten aangenomen die het recht op privacy aantasten. Aan repressieve regimes is nu al goed te zien hoe groot het gevaar daarvan is – bloggers kunnen worden gearresteerd of zelfs gedood, de gangen van politieke tegenstanders kunnen worden gevolgd.

Maar ook in landen waarvan we denken dat de overheid de belangen van haar burgers zo goed mogelijk behartigt, gaat het overal bekijken van ieders gegevens domweg te ver. Het heeft een merkbaar negatief effect op de vrijheid van meningsuiting; het belemmert dat internet wordt gebruikt als een vrije ruimte om belangrijke thema’s en gevoelige onderwerpen echt te onderzoeken, zoals kwesties op het vlak van gezondheidszorg, seksualiteit en religie.

Mijn tweede punt van zorg is dat het te gemakkelijk is om op internet nepnieuws te verspreiden.

Vandaag de dag halen de meeste mensen nieuws en informatie uit niet meer dan een handvol sites voor sociale media en slechts één of een paar zoekmachines. Die websites verdienen geld aan de links die ze ons laten zien. En ze kiezen wat ze ons laten zien op basis van algoritmen die continu onze persoonlijke gegevens aan het verzamelen en analyseren zijn. Het uiteindelijke resultaat daarvan is dat deze sites ons de informatie laten zien waarvan zij dénken dat we erop klikken. En dat betekent dat non-informatie, of nepnieuws –nieuws dat vooral verrassend, schokkend is, of gemaakt om ons te behagen– zich als een lopend vuurtje kan verspreiden. En bedrijven met kwade bedoelingen kunnen het systeem zo manipuleren dat ze makkelijk desinformatie kunnen verspreiden met het oog op politiek of financieel gewin.

Mijn derde punt is de ondoorzichtigheid van online publieke campagnes. Die moeten transparanter en begrijpelijker zijn.

Politieke campagne voeren op internet is heel snel een uitgekiende bedrijfstak geworden. Het simpele feit dat de meeste mensen al hun informatie halen van niet meer dan een paar internetplatforms, en het snel groeiende raffinement van algoritmen die enorme voorraden persoonlijke gegevens kunnen onderzoeken, betekent dat politieke campagneteams heel gemakkelijk persoonlijke boodschappen kunnen schrijven, speciaal op maat gemaakt voor iedere individuele internetgebruiker.

Tijdens de verkiezingen in de Verenigde Staten van 2016 zouden niet minder dan 50.000 variaties van advertenties online zijn gezet, dágelijks, op Facebook, en dat is een haast onmogelijke hoeveelheid om te kunnen overzien, laat staan te kunnen analyseren of te becommentariëren. Er wordt ook gesteld dat sommige politieke advertenties –niet alleen in de Verenigde Staten maar over de hele wereld– op onethische wijze gebruikt worden. Ze wijzen kiezers bijvoorbeeld op nepnieuwswebsites, of ze proberen groepen kiezers weg te houden van de stembus. Met op maat gemaakte advertenties kunnen campagneteams van politieke partijen totaal verschillende, zelfs elkaar inhoudelijk tegensprekende boodschappen bezorgen bij verschillende kiezersgroepen. Is dat democratisch?

Samenwerken

Dit zijn ingewikkelde problemen, en het zal niet eenvoudig zijn om er oplossingen voor te vinden. Maar een paar makkelijk te begane wegen ernaartoe zijn al wel helder.

l We moeten samenwerken met internetbedrijven om het evenwicht te herstellen; om ervoor te zorgen dat op een eerlijke manier de controle over persoonlijke data terugkomt in de handen van de gebruikers vaninternet. Onder andere door de ontwikkeling van nieuwe technologie, zoals persoonlijke ”datapods”, en het verkennen van alternatieve verdienmodellen, zoals abonnementen en microbetalingen.

l We moeten strijden tegen regeringen met vergaande surveillancewetten, zo nodig via inschakeling van rechtbanken.

l We moeten de desinformatie terugdringen door poortwachters zoals Google en Facebook aan te sporen hun inspanningen op te voeren bij het bestrijden van dit probleem.

l We moeten koste wat het kost voorkomen dat er centrale organen worden gevormd die kunnen beslissen wat ”waar” is en wat niet.

l We hebben meer inzicht nodig in hoe algoritmen werken, zodat we begrijpen op wat voor manieren belangrijke beslissingen worden genomen die ingrijpen in ons leven, en misschien moeten we daaromtrent een aantal gemeenschappelijke spelregels en principes opstellen waaraan iedereen zich moet houden.

l We moeten met spoed het gat dichten in onze wet- en regelgeving met betrekking tot het campagnevoeren op internet.

Onze Web Foundation (Internetstichting) werkt de komende jaren aan veel van deze thema’s – gedetailleerder onderzoek doen, politieke voorstellen formuleren, coalities smeden van partijen die gezamenlijk kunnen werken aan een internet dat iedereen gelijke kansen en macht geeft.

Ik mag dan wel internet hebben uitgevonden, maar u heeft allemaal geholpen het te doen uitgroeien tot wat het vandaag de dag is. Alle blogs, berichten, tweets, foto’s, filmpjes, toepassingen, websites en wat niet al vertegenwoordigen de bijdragen van miljoenen mensen over de hele wereld die internet elke dag verder doen groeien en een onlinegemeenschap vormen.

Alle mogelijke soorten mensen hebben geholpen: politici die ervoor hebben gevochten om het web open en openbaar te houden, organisaties die ervoor zorgen dat de technologie zich steeds verder ontwikkelt en steeds zowel toegankelijker als veiliger wordt, en ook demonstranten op straat. Vorig jaar zagen we bijvoorbeeld Nigerianen protesteren tegen een wet die de vrije meningsuiting op sociale media beoogde te beperken, we zagen demonstraties tegen regionale afsluitingen van internet in Kameroen en veel publieke steun voor internetneutraliteit in zowel India als de Europese Unie.

We hebben iedereen nodig gehad om internet te bouwen tot wat het is, en nu hebben we iedereen nodig om het om te bouwen tot het soort internet dat we willen – een internet voor iedereen.

Meer lezen

Berners-Lees webfoundation.org publiceerde afgelopen maand een top tien van belangrijke boeken over wat internet vermag, in goede en in kwade zin. Een ervan is het binnenkort te verschijnen boek van Manoush Zomorodi: ”Bored and brilliant”. Haar podcast daarover is al wel verkrijgbaar, onder de titel ”Note to self”.

Ook ”De Cirkel”, bestseller van Dave Eggers, staat in de lijst van boeken die iedereen zou moeten lezen, dus wie dat nog steeds niet heeft gedaan: leen of koop het. Veel beter dan de film.

Heel belangrijk, zij het niet vertaald in het Nederlands, vinden de toptiensamenstellers dit boek: ”Move Fast and Break Things” van Jonathan Taplin, over hoe Facebook, Google en Amazon onze cultuur klem zetten en de democratie ondermijnen.

Tim Berners-Lee

Sir Tim Berners-Lee (1955) is bedenker en grondlegger van het wereldwijde web en richtte later het Open Data Institute op (theodi.org) en The World Wide Web Foundation (webfoundation.org), beide om internet toegankelijker en veiliger te maken. Voor zijn uitvinding en veel technische ontwikkelingen die de grote vlucht en laagdrempeligheid van internet mogelijk maakten, kreeg Berners-Lee dit jaar de prestigieuze A. M. Turing Award.