Column: Met een elektrische auto stilstaan op de vluchtstrook

Een Tesla. beeld: Tesla
2

Het kon –en kan– me vaak niet snel genoeg gaan. Allerlei vernieuwingen in de wereld van de elektronica. Toen de slimme cv-thermostaat op de markt kwam, heb ik dagenlang monteurs over de vloer gehad die het ding werkend probeerden te krijgen. „Kinderziektes, meneer”, voegden ze me dan toe als er weer eens iets niet lukte.

Maar als het om elektrische auto’s gaat, draal ik. Op papier geniet ik wel van de vernieuwingen. Want een Tesla bijvoorbeeld is een prachtige machine. Vooral dat touchscreen op het dashbord doet me het water in de mond lopen. Maar als ik dan in de kleine lettertje lees dat de auto maar 300 of 400 kilometer kan rijden op een acculading, dan is voor mij de lol er wel af. En dan hebben we het nog maar niet over de laadpaal die er dan op m’n parkeerplaatsje geïnstalleerd zal moeten worden met alle akeligheid van dien. Want stel dat m’n buurvrouw ook een laadpaal wil, hoe krijgen we dan onze auto’s nog geparkeerd?

Pas droomde ik dat ik een elektrische auto had gekocht en daarmee een buitenlands tripje ging maken. Maar omdat het erg koud was, leverde de accu niet de beloofde 350 kilometers, maar bleek het veel eerder afgelopen. Ik kwam stil te staan op de vluchtstrook. M’n mobiele telefoon had geen bereik –ook zo’n diepe angst van me– en daar stond ik dan. Er zat niets anders op dan bij het dichtstbijzijnde elektrische laadstation een verlengsnoer te gaan lenen. Voor ik die martelgang moest gaan, schrok ik gelukkig zwetend wakker.

Denk nu niet dat ik een klimaatscepticus ben die gelooft dat het heel normaal is dat je in februari in een T-shirt koffie zit te drinken op het balkon. Maar ik ben zo ongelooflijk gehecht aan een ronkende dieselmotor die je met gemak naar Parijs en weer terug kan rijden zonder tussentijds te tanken dat ik de psychologische omschakeling simpelweg niet zomaar kan maken.

Ja, ja, ik weet het. Diesel is slecht voor ’t milieu. Een benzineauto wordt bestuurd door een benzineboef en de eigenaar van een dieselwagen is een dieselschurk. Als er vroeger werd gezegd dat je toch best een flinke auto reed, kon je nog vergoeilijkend opmerken: „Ach, het is maar een oud dieseltje.” Tegenwoordig zit je, na zo’n uitspraak, voor je het weet in de gevangenis.

Maar dat zoete gevoel als je net getankt hebt en op de meter ziet dat je nog 1026 kilometer kunt rijden blijft met niets te vergelijken. Het is het enige moment dat ik een Teslarijder niet benijd. En stiekem zelfs een lange neus maak.