Column: Kinderverdriet

Column Mariska Dijkstra
beeld iStock

Ik heb een naar gevoel in m’n buik. Hamster Harry is ziek. En vooral de ogen van zijn baasje bezorgen mij een vervelende kriebel. Er staat bezorgdheid in te lezen. En angst, dat ook. Want hij weet dat hamsters niet voor altijd leven. En dat weten wij ook.

Er wordt een crèmepje gehaald. Dat smeert hij met alle liefde van de wereld op de ontstoken plek. Maar die wordt niet kleiner, maar groter.

Tijd voor de dierenarts. Tenminste, dat vind ik. Man denkt er net iets anders over. Dat levert een aardige man-vrouwdiscussie op.

Hij: „Naar de dierenarts voor een hámster? Weet je wel wat dat kost?” Ik: „Maar het is wel een dier hè? En heb je zoons ógen gezien? Hij zal zo veel verdriet hebben als dit niet goed afloopt.” Hij: „Verdriet hoort bij het leven. Dat is niet gelijk slecht voor de ontwikkeling van een kind.” Ik: „Poeh, vast. Maar heb je die ógen gezien? Hij zal zo verdrietig zijn.”

Mijn moederhart schreeuwt. Ik wil hem hier zo graag voor beschermen.

De volgende ochtend blijkt de dierenarts niet meer nodig. Hamster Harry ligt stil in zijn kooi. Té stil. „Hij ademt niet meer”, is de mededeling van zoon. En daarna komen de tranen. En samen met zijn ogen vertellen die me hoe groot zijn verdriet is.

Als hij het even niet ziet, laat ik ze zelf ook stromen. Eerlijk is eerlijk, ik had niet zo veel met het beestje zelf. Maar mijn kind verdrietig zien, is iets wat mij tot diep in mijn binnenste raakt.

Hij slaapt die nacht in het grote bed. En de volgende ook. Het troost ons allebei.

Dan wordt het tijd voor de begrafenis. Van een hagelslagdoosje wordt een kistje gemaakt, en op een briefje schrijft hij in woorden hóé lief zijn Harry was.

„Bij de lamp”, beslist hij, over de plek waar hij moet komen te liggen. Want dan kunnen ze elkaar in ieder geval nog goed zien.

Vier dagen later is het opeens zo ver. „Gaan we een nieuwe kopen?”, vraagt hij.

Dus daar gaan we. „Hij moet er hetzelfde uitzien als Harry”, vindt hij. Dat dat lastig zal worden, snapt hij wel.

En dan worden zijn ogen opeens weer zacht. En vol liefde. „Díé daar!” Die moet het gaan worden. En die ernaast is ook lief. Voor we het weten lopen we niet met één, maar met twee hamsters de deur uit. Twee zusjes blijkt vaak goed te gaan, zeggen ze. Dat hopen we dan maar. Want die blik in zijn ogen wil ik niet meer missen.