Column: Hotel mama

Column Mariska Dijkstra
beeld iStock

„Ik heb honger”, klinkt het vanuit de woonkamer. Daar liggen vier lange stelten op de bank. Met eraan vast een romp en daaraan twee paar handen met een schermpje.

Als ik om de hoek tuur, kijken vier ogen me kort aan en wordt de boodschap door een van de liggende lijven herhaald: „Honger!” De laatste letter klinkt lang en uitgerekt. Alsof wat er gezegd wordt zo nog beter overkomt.

Ik ben dol op pubers. Echt. Ik lees boeken over hen en schrijf ook over die doelgroep. Ik weet van de hormonen die door hun lichaam razen. En snap dat elke week ettelijke centimeters groeien iets met je zelfbeeld doet. Ik kan dan ook best geduld voor hen opbrengen. In theorie dan.

Want de praktijk is soms anders. Na wéken dagelijks tegen dit soort stillevens aan te kijken, bereik ik tegenwoordig regelmatig het kookpunt. En kraam ik er precies uit wat je volgens de boekjes nou net níét moet zeggen.

„Je weet niet eens wat honger is!”

„Wat wil je nou van me?”

„Jij altijd met je schermpje.”

„Kom met je luie... van die bank af.”

„Dan had je vanmorgen ook moeten komen ontbijten.”

„Je denkt toch niet dat ik...”

Helpt allemaal niet. Weet ik inmiddels uit ervaring.

Diep zuchten heeft ook weinig zin. Net als heel hard gillen.

Maar wat dan wél? Daarover peins ik de hele dag. Hóé reageer ik nou op een volwassen, rustige manier op dit irritante pubergedrag?

De volgende dag. Zelfde plaats, zelfde tijdstip. „Ik heb hongerrr”, klinkt het weer. Ik pak een keukenschort en doe dat om. Frommel m’n haren in een soort knot en kom met hakken aan de woonkamer in lopen. Met een notitieblokje en pen in mijn handen ga ik voor hem staan. „Meneer, ik hoorde dat u graag wilde bestellen. Wat kan ik voor u noteren?” Voor het eerst in uren kijkt hij op. En is er weer iets van interesse in zijn blik. Zijn mondhoeken gaan een heel klein beetje omhoog. En dan klinkt met een stalen gezicht zijn bestelling: een frikadelbroodje. En een tosti met ham en kaas. En graag een schaaltje blanke vla. Met cruesli uiteraard.

Ik duik de keuken in. En maak de bestelling klaar. Voor het broodje spring ik zelfs nog even op de fiets. Of het de pedagogisch perfecte manier is? Geen idee. Maar er volgt vandaag in ieder geval geen ontploffing. En we hebben het zelfs gezellig aan de keukentafel. Uiteraard serveer ik nog wat sla en groente mee. Die krijgen mensen in een restaurant tenslotte ook (en die eten het zelfs nog op...).