Wolfgang Capito: van smidszoon tot hervormer

Straatsburg. beeld wikimedia
3

Straatsburg was, naast Basel, in de 16e eeuw een stad met een gunstig klimaat voor het christelijk humanisme: men stond open voor iedereen die zich niet meer aan Rome verbonden voelde. Zo groeide er een samenleving waarin de kerk van de Reformatie een dominante plaats innam. Hier diende Wolfgang Capito.

Wolfgang Capito werd omstreeks 1478 geboren in de toen nog Duitse rijksstad Hagenau, noordelijk van Straatsburg. Daar had zijn vader, Johann Köpfel, een bedrijf als meester-smid. Dat is de reden waarom Wolfgang naast zijn later aangenomen Latijnse naam Capito (afgeleid van de familienaam Köpfel) ook wel de naam Fabricius (smid) voerde.

Het eerste onderwijs ontving Wolfgang in Hagenau; daarna volgde de Latijnse school in Pforzheim. De verdere klassieke vorming kreeg Wolfgang op de universiteit van Ingolstadt, waarna hij in 1504 succesvol overstapte naar de universiteit van Heidelberg. Zijn eerste vakstudies betroffen medicijnen en rechten, daarna theologie. Zijn promotie tot doctor in de theologie vond in 1515 plaats aan weer een andere universiteit, die van Freiburg im Breisgau. Een van zijn studievrienden was de latere Straatsburgse politicus Jakob Sturm.

Kloosterprediker

Nog tijdens zijn studie kreeg Wolfgang Capito van de bisschop van Spiers het verzoek om te dienen als kloosterprediker in Bruchsal. In die tijd maakte hij zich het Hebreeuws eigen via de lessen van de Spaanse Jood Mattheus Adrianus, een tot het christendom bekeerde docent. Tegelijk maakte hij kennis met knappe studiegenoten die later ook zouden meewerken aan de Reformatie: Konrad Pellikan (Zürich) en Johannes Oecolampadius (Basel). Ook bestudeerde hij geschriften van de Engelse theoloog John Wyclif over de eucharistie; hij werd gewonnen voor diens visie dat het avondmaal als een puur geestelijk gebeuren beschouwd moest worden – daarmee stond het geloof in de transsubstantiatie op losse schroeven.

In 1515 stapte Capito over naar de Münsterkerk van Basel, om er als prediker te dienen. Hier promoveerde hij tot doctor in het canonieke en burgerlijke recht en werd hij hoogleraar. Hij was vaak te zien in de kring rond Erasmus en correspondeerde met humanisten en theologen – onder wie Luther en Zwingli. Zijn actieradius was nu veel groter dan die van het klooster waar hij kerkdiensten leidde. Dit was belangrijk omdat na 31 oktober 1517 de strijd van Luther tegen de aflaathandel steeds meer ging betekenen. En dat werd helemaal een zaak van opperste concentratie toen Capito uitgerekend bij de aartsbisschop-keurvorst Albrecht van Mainz –aan wie Luther zijn 95 stellingen had geadresseerd– ging fungeren als diens officiële raadgever en als kanselier.

Doordat Capito zich op de rijksdag van Worms vóór Luther uitsprak, werd zijn poging om te bemiddelen tussen de aartsbisschop en Luther een omstreden zaak. Capito’s bezoeken aan Luther leidden ertoe dat hij dichter bij de Reformatie kwam te staan. In Mainz dacht men dan ook dat hij onder één hoedje speelde met de leiders van de reformatorische beweging. Capito wachtte nog tot 1523, toen vertrok hij voor zijn eigen veiligheid naar Straatsburg.

Afgescheiden gemeenteleven

In die tijd werden er in Straatsburg elk jaar meer dan vijftig boeken tegen het rooms-katholicisme gedrukt. De religieuze ruimte voor Rome werd steeds kleiner, een antiklerikale geest voerde in de stad de boventoon. Er kwamen diverse mystici, vrijdenkers en wederdopers de stad binnen. Daarnaast aanhangers van Luther en Zwingli. Van 1538 tot 1541 zou Calvijn als predikant van de Franse vluchtelingengemeente dienen.

Maar in het begin van de jaren twintig was er van bewuste vorming van aparte kerkelijke gemeenten nog geen sprake. Daarin kwam verandering: men besefte dat een ‘afgescheiden’ gemeenteleven met een eigen kerkregering en eigen diaconale zorg een zeer gewenste zaak was. Daaraan werd vormgegeven onder leiding van de irenische Wolfgang Capito, verbonden aan de Thomaskirche.

Naast hem traden als nieuwe reformatorische predikers Martin Bucer en Kaspar Hedio op. Zij begonnen liturgische teksten in het Duits te lezen en de eucharistie te bedienen onder twee gestalten (brood en wijn). Toch zou het nog tot 1529 duren voordat in Straatsburg de rooms-katholieke mis werd afgeschaft.

Capito heeft in de jaren 30 enige tijd (te) dicht bij de –ook irenische– doopsgezinden gestaan, maar uiteindelijk heeft hij het reformatorische spoor weer betreden. Dat bleek uit zijn instemming met de belijdenis die we kennen als de Confessio Tetrapolitana, de belijdenis van vier steden: Memmingen, Lindau, Konstanz en Straatsburg.

Pestepidemieën

Capito was al spoedig na zijn overgang naar de Reformatie in het huwelijk getreden, en wel met Agnes Rottel, dochter van een Straatsburgs raadslid. Zij stierf in 1531 aan de pest. Daarna maakte Capito zijn keus voor een nieuwe echtgenote: de weduwe van de ook in 1531 overleden Johannes Oecolampadius in Basel, Wibrandis Rosenblatt. Zij stemde erin toe, al was ze twintig jaar jonger dan haar nieuwe echtgenoot. Tijdens hun huwelijk kregen ze vijf kinderen.

In 1541 werd Straatsburg opnieuw getroffen door de pest; drie van hun kinderen stierven, en ook Wolfgang Capito overleefde de epidemie niet. Zijn vrouw werd voor de derde keer weduwe, totdat Martin Bucer na het verlies van zijn eerste vrouw haar trouwde in 1542. Deze wel zeer bijzondere vrouw is in haar leven vier keer getrouwd geweest, waarvan drie keer met een reformator.

Met Wolfgang Capito was een man heengegaan die op een irenische, vredelievende manier de belangen van Gods volk voor ogen had: hij trachtte een verenigende rol te spelen, wat hem echter niet zo gemakkelijk lukte.

Dit is het vierde deel in een serie over minder bekende hervormers, in de aanloop naar de herdenking van 500 jaar Reformatie in 2017.