William Jay: van steenhouwer tot Evangeliedienaar

Op 6 mei is het 250 jaar geleden dat Jay in Tisbury, Wiltshire, werd geboren. beeld Getty Images/iStockphoto
3

Als 16-jarige stond hij al op de preekstoel. Dat was het begin van zijn 68-jarige loopbaan als gemeente- en rondreizend predikant. Zijn grote gaven van welsprekendheid en welluidende stem maakten William Jay bekend in Engeland en daarbuiten.

De grootste gave die William Jay (1769-1853) bezat, was om de levende Christus nabij de hoorders te brengen. Op 6 mei is het 250 jaar geleden dat hij in Tisbury, Wiltshire, werd geboren.

Zijn vader leerde hem het vak van steenhouwer en metselaar. Thuis kwam hij in aanraking met de vreze des Heeren die zijn ouders uitstraalden. De prediking in de plaatselijke presbyteriaanse gemeente was dor en doods. Al vroeg had William een zucht naar kennis. Twee boeken maakten grote indruk op hem: het eerste was van Isaac Watts, het andere de ”Christenreis” van Bunyan.

In de huisgemeente van de methodistenprediker Thomas Turner kreeg hij voedsel voor zijn ziel. De eerste keer dat hij daar kwam, werd hij door de vrouw van Turner begroet met de vraag: „Heb je honger naar het Brood des levens?” Hij was toen 13 jaar. Zijn bekering verliep niet schoksgewijs, maar bedaard. Christus werd hem alles.

Zijn geestelijke vader werd de bekende Cornelius Winter (1742-1803), die in Tisbury kwam preken. Hij had een opleidingsschool voor predikanten geopend in Marlborough en stelde William voor om daar te gaan studeren. Dat deed deze van 1785 tot 1788. Het was niet meer dan een opleiding tot lekenprediker. Zo werd de steenhouwer gevormd om het Evangelie te verkondigen. Hij had een brandend hart om van de liefde tot Christus te getuigen. Zo schreef hij aan Winter: „Ik hoop dat ik kan zeggen dat Hij voor mijn ziel de voornaamste is van tienduizend en dat al wat aan Hem is, gans begeerlijk is.”

Zijn eerste preek hield de 16-jarige Jay in Ablington. Hij maakte opgang onder dit volk. Voordat hij de school verliet, had hij meer dan duizend preken gehouden. Sommigen adviseerden hem om aan de universiteit verder te studeren, maar Sir Richard Hill en John Thornton, die tot de Kerk van Engeland behoorden, raadden dit af. Zij spraken de profetische woorden: „God heeft de mond van de jongeman geopend en wij zullen deze vele jaren niet durven sluiten.” Later was Jay blij dat hij niet naar Oxford gegaan was om daar vijf of zes jaar te studeren voordat hij geordend kon worden. In die tijd mocht hij voor duizenden het Evangelie brengen. In de grote Surrey Chapel in Londen, waaraan Rowland Hill verbonden was, ging hij veel voor.

Nadat Jay de school van Winter had verlaten, werd hij voorganger in Malford en daarna in Bristol. Toen Thomas Tuppen door ziekte niet meer kon voorgaan in de gloednieuwe Argyle Chapel in Bath, werd Jay gevraagd de kerk te openen. Na de dood van Tuppen volgde hij hem op. Van 1791 tot 1853 bleef hij aan deze grote gemeente verbonden. Het kerkgebouw was bekostigd door de Schotse Lady Glenorchy, die evenals Lady Huntingdon de bouw van ”chapels” financierde.

Openluchtpreken

Jay was kind van de grote methodistische opwekkingsbeweging die in het midden van de 18e eeuw begon. Vele duizenden hoorden in die jaren de openluchtpreken van John Wesley en George Whitefield. Whitefield overleed in 1770, toen Jay een jaar oud was. Deze opwekkingsprediker was het middel om Cornelius Winter tot Christus te leiden en Winter was het instrument om Jay op te leiden tot dienaar des Woords. Jay kende John Wesley wel, die hij hoogachtte, hoewel hij het niet in alles met zijn theologie eens was. Met hypercalvinistische predikers had hij meer moeite, omdat hun voorwaardelijke prediking voor zoekende zielen een blokkade zou vormen om tot Christus te gaan. Hij had weinig waardering voor baptisten, die de avondmaalstafel afsloten voor andersdenkenden. Zelf was hij voorstander van de kinderdoop. Als independent bediende hij deze alleen aan kinderen van ouders van wie een of beiden getuigenis gaven van geloof en wedergeboorte.

Door zijn rondreizen wist hij een breed netwerk op te bouwen. In Schotland had hij contact met Thomas Chalmers. Van Engelse evangelicals die hij ontmoette en voor wie hij waardering had, maakte hij een levensschets. Zo schreef hij over Hannah More en William Wilberforce, filantropen die tot de Engelse staatskerk behoorden. Wilberforce bepleitte in het parlement de afschaffing van de slavernij. In het rijtje van Jay komt ook de baptist John Ryland senior voor. Wat dat betreft bestonden er voor hem geen kerkmuren. De zegen van de opwekking werd niet door denominaties begrensd. Zowel in de staatskerk als daarbuiten waren veel predikanten die de Heere kenden en Zijn Naam grootmaakten.

Oecumenische instelling

Jay toonde zijn oecumenische instelling ook door zijn medewerking te geven aan interkerkelijke organisaties als het Britse Bijbelgenootschap, het traktaatgenootschap en de London Missionary Society. De activiteiten daarvan kunnen worden beschouwd als symptomen van de ‘nagloei’ van de opwekkingsbeweging.

Jay wist met zijn preken armen en welgestelden te bereiken. Zijn algemene ontwikkeling en theologische kennis waren groot. Hij leerde Frans om preken van redenaars als Bossuet te kunnen lezen. Theologisch gezien was hij een gematigd calvinist, die in de lijn van de puriteinen wilde gaan. De uitverkiezingsleer onderschreef hij, maar plaatste hij niet in het voorfront van zijn preken.

In de lijn van veel predikanten uit de tijd van de ”revivals” gaf hij aandacht aan de orde van het heil, rekening houdend met de verschillende manieren die de Heilige Geest gebruikt om zondaren tot Christus te leiden. Centraal hierbij staat de bevindelijke kennis van Christus, Die door het eenvoudige geloof, hetzij zwak of sterk, in de beloften van het Evangelie wordt omhelsd. Kenmerken van genade honoreerde hij, maar niet om de heilszekerheid hierop te gronden.

Jay schuwde dogmatische discussies en vermeed in zijn preken twistpunten. Scholastische onderscheidingen kende hij niet. Zijn preken waren Bijbels onderbouwd en werden niet gekenmerkt door onderscheidingen en voorwaarden. Het geloof in de gekruiste en opgestane Heiland stond centraal.

Ook aan het leven van het geloof in de heiligmaking gaf hij aandacht. Hij verkondigde de volle raad van God en verviel niet in eenzijdigheden. Zijn morgen- en avondlezingen geven een beeld van een dienstknecht van Christus die niets liever deed dan zielen te bewegen tot het geloof.

Tot op hoge leeftijd was William Jay beeldbepalend voor het orthodoxe deel van het Engelse volk. Tot op deze dag spreekt hij nog door zijn geschriften.

Een kracht Gods tot zaligheid

Wanneer een mens van zijn geestelijke doodslaap ontwaakt en van boven verlicht wordt, dan is zijn roep niet: „Wat zal ik eten, wat zal ik drinken, en waarmede zal ik mij kleden?” Maar dan roept hij uit: „Wat moet ik doen om zalig te worden?” Hoe zal ik mij neerbuigen voor de allerhoogste God? Hoe zal ik de rechtvaardiging ten leven ontvangen? Hoe zal ik het eeuwige leven verkrijgen? Geen wonder dat de apostel spreekt van de „wijsheid Gods in verborgenheid.” Hier zien wij God als een God van liefde. Hier zien wij de grootheid van Zijn almachtige kracht; hier zien wij de uitnemende rijkdom van Zijn genade door Zijn goedertierenheid tot ons. Deze heeft Hij in alle wijsheid en voorzichtigheid over ons uitgestort. Hier zien wij het beeld van de onzienlijke God; hier zien wij Paulus, die zich verheugde in de „kracht van God tot zaligheid voor een ieder die gelooft.”

(Uit: ”Evenings with Jesus”, William Jay)