Vogels bestuderen in volière van Vroege Kerk

Beeld Dick Vos
2

„Doe niet zo onbarmhartig en geef me er twee”, zegt prof. dr. Paul van Geest als je vraagt welk boek hij meegrist als zijn bibliotheek in brand staat. Hij kiest voor de Belijdenissen en De Stad Gods van Augustinus. „Ik ga weer eens echt studeren.”

Prof. Van Geest kan het zich nog goed herinneren, de oprichtingsvergadering van het Centrum voor Patristisch Onderzoek (CPO), nu ruim tien jaar geleden. Bij de dertig aanwezigen brandde het vuur van de geestdrift. „Vreselijk leuk”, zegt Van Geest. „Zo’n interuniversitair instituut is de droom van elke hoogleraar.”

De tijd was er rijp voor?

„Mensen realiseerden zich: ons mensbeeld, maatschappijbeeld en godsbeeld zijn erfgoed van de kerkvaders. Wat wij in de grondwet terugzien over de intrinsieke waardigheid van de mens, het gegeven dat we allemaal gelijk zijn, zelfs als de één allerlei titels haalt en de ander niet, komt van oorsprong uit het christendom. Paulus zegt bijvoorbeeld dat we allen gelijk zijn in Christus.”

Daarmee heeft u de overheid vast wel overtuigd…

Lachend: „Dat was mijn marketingpraatje. En het heeft geld opgeleverd. Het CPO loopt als een tierelier. In totaal zijn er nu dertien mensen gepromoveerd. Elf promovendi zitten er nog in de pijplijn. Na tien jaar kunnen we dus wel zeggen dat het goed gaat. Het is een mooie boedel, maar we moeten verbreden.

Nu prof. Van Geest vrijdag afscheid heeft genomen, wordt het CPO omgedoopt in het Centre for the Study of Early Christianity en komt het onder leiding te staan van prof. dr. Bart Koet (Tilburg University) en prof dr. Bert Jan Lietaert Peerbolte (VU). Het instituut gaat zich ook richten op onderzoek naar het Nieuwe Testament.

Wie zijn de kerkvaders naar wie het centrum onderzoek doet?

„Kerkvaders noemen wij de mensen die −als de Evangeliën zijn geschreven− in de eerste vier eeuwen nadenken over de essentie van het christendom. Wie is God? Wie is Christus? Hoe kan God mens worden? In de eeuw van de apostolische vaders, de eerste eeuw, gebeurde dat voornamelijk door middel van brieven. Denk aan de Diognetusbrief, de Clemensbrief en de Didache. Daarin delen christenen elkaar mee: zo zien wij God, zo moeten wij leven en bidden. In de tweede en derde eeuw, als het christendom groeit, neemt ook de vervolging toe. Sommige christenen sterven als martelaar onder keizers als Decius en Diocletianus. Zogenoemde apologeten beginnen met de verdediging van het christelijke geloof. In de vierde eeuw −het christendom is inmiddels een erkende godsdienst− houd je die. Augustinus bijvoorbeeld schrijft verhandelingen over de menselijke ziel, de vrije wil, de ideale staat, de Drie-eenheid en de noodzaak van de eenheid van de kerk.

Kerkvaders vormen een bonte volière van briefschrijvers, polemisten en theologen in embryonale vorm.”

Mensen doen nogal eens een beroep op de Vroege Kerk omdat ze moeite hebben met traditionele kerkstructuren.

„Dat is begrijpelijk. Theologen in de vijftiende en zestiende eeuw wilden graag bewijzen dat de kerkvaders allemaal hetzelfde zeiden over God, Christus en de menswording. Latere kritisch-historische studies laten echter zien dat de kerkvaders het helemaal niet zo met elkaar eens waren. Dat Hieronymus anders denkt over het menselijk lichaam of het huwelijk dan Augustinus. En dat er variaties zijn in de uitleg van de Drie-eenheid. Waarom baseren mensen zich nu op de kerkvaders? Ten eerste vormen zij de bronnen. En, dat vinden wij interessant, die zijn pluriformer in hun interpretatie van dogma’s dan latere uitleggers ons doen geloven.”

Er is ook verlangen naar de intimiteit van het gemeenteleven in de Vroege Kerk.

„Kerkvaders schrijven heel concreet over hoe een christen moet leven. Het gaat om richtlijnen die iedere psycholoog van nu fantastisch vindt. Augustinus zegt bijvoorbeeld dat mensen het werken met hun hoofd moeten afwisselen met werken met hun handen. Dat houdt iemand in evenwicht. Benedictus zegt: bid en werk. Dat is logisch, want als je alleen in je hoofd zit, raak je uit balans. Christelijk leven heeft dus ook te maken met evenwichtig leven, al zijn dat woorden die de kerkvaders niet zo gebruikten.Verder lees je hoe ongelooflijk gevarieerd maar ook kwetsbaar de christelijke gemeenschappen waren. Augustinus en Clemens schrijven over gemeenteleden die niet deugen. Niet alle christenen waren martelaren. Sterker nog, Augustinus zegt: Ga naar je hart en zie dat kaf en koren in jouzelf zit. Dat is een geniale raadgeving, een eigentijds levensinzicht.”

We idealiseren de eerste christenen dus teveel.

„Zeker in de middeleeuwen is de ”ecclesia primitiva”, de Vroege Kerk, ontzettend geïdealiseerd. Maar als je de Korinthebrief leest, begrijp je wel dat er veel aan de hand was in de gemeente. Tegelijk bevonden zich onder hen mensen die bereid waren alles voor het geloof op te geven en op een mooie manier met elkaar omgingen. De zorg voor kwetsbaren is in het christendom ingebakken.”

U bent een trouwe rooms-katholiek. Herkent u als kerkganger het wars zijn van instituut, ambt en gezag?

„O ja, zeker. Ik zou de mensen die een hekel hebben aan de kerk als organisatie van nog meer argumenten kunnen voorzien dan ze zelf al in hun hoofd hebben. Ik studeerde theologie in Rome en heb nu een adviesfunctie op de Congregatie voor de geloofsleer in Rome. Ik kan dus goed in de keuken kijken. Er zijn geweldige mensen op de Romeinse curie (het bestuursapparaat van de paus, EHvS) werkzaam en dus ook afschuwelijke hypocrieten. De curie is nooit een gemeenschap van heiligen geweest. Pausen hadden minnaressen, altijd was er gedoe om macht. Ik kan grote moeite hebben met hoe de kerk verkeerde zaken gedoogt, hoe de goeden onder de kwaden lijden. Maar weet je, de kerk bestaat ook uit mensen die in parochiekerken bidden en uit goede bisschoppen. Ze is in feite gebaseerd op zeer heilzame woorden van de Heer. Om die reden wil ik bij de kerk blijven.”

Wat is de zeggingskracht van de kerkvaders voor vandaag?

„We moeten ervoor beducht zijn dat we een kerkvader antwoord laten geven op een vraag die hij nooit heeft gesteld. Wel kunnen we in iedere tijd opnieuw kijken hoe hij het menselijk leven opvat, God opvat. Dat zijn inzichten die je horizon verbreden. Een voorbeeld van iets waarmee wij wel uit de voeten kunnen: als ons iets overkomt, hebben we de neiging ons af te vragen: waarom moet mij dit gebeuren? Wat je van Augustinus leert, is dat het volstrekt verkeerd is om die vraag te stellen. Kerkvaders richten zich op Christus. Die volgen zij omdat Hij heeft laten zien Wie God is. Uitgerekend Hij is aan een kruis gestorven. Beter kun je daarom de vraag stellen: waarom ik niet, als Hem niet veel bespaard is gebleven? Dat, zeggen de kerkvaders, opent je ogen voor het lijden van anderen. Sommige raadgevingen van die lui zijn tijdloos.”

In de afgelopen periode verkende het CPO mystagogie, de inwijding in het christelijke geloof. Zag u zichzelf ook in dienst van de mystagogie?

„Een wetenschapper is geen mystagoog. Maar je kunt op twee manier beschrijven: met sympathie of met koele, objectieve observatie. Als leden van het CPO hebben wij iets met de kerkvaders, vanuit het bewustzijn dat ze deel uitmaken van onze roots. Je moet afstand houden als wetenschapper, maar ook een zekere empathie ontwikkelen voor je onderzoekssubjecten. Dat komt de kwaliteit van je onderzoek ten goede. Af en toe preek ik, dat vind ik leuk. Dan zitten de gelovigen in de kerk niet te wachten op wat wij nu weer hebben uitgeknobbeld. Wel zijn ze benieuwd naar wat ik met bepaalde geloofsinzichten in mijn leven doe.”

Dat kan alleen als je leeft vanuit de verborgen omgang met God.

„Zeker. Ik schroom ook niet om te zeggen dat ik kerkganger ben en ’s morgens mediteer. Ik sta op, neem koffie, een banaan en een visolietablet en dan zit ik hier, voordat iedereen wakker wordt, stil te zijn. Vervolgens lees ik een stuk uit het brevier (gebedenboek van de Rooms-Katholieke Kerk, EHvS), waarin ook psalmen staan, en een stukje Evangelie. Soms ben ik alleen maar stil, heerlijk. De gedachte dat dit al zolang door zovelen wordt gedaan, geeft een bijzondere, universele verbondenheid met mensen die je niet kent en ziet.”

Kerkvaders en -moeders

Zijn het vooral mannen die het christendom uitdachten en vormden, of ook vrouwen? Ook vrouwen, zegt prof. Van Geest, hoewel niet veel. Bekende namen zijn Perpetua en Felicitas, die als martelaressen stierven. Of Macrina, die haar broers, de kerkvaders Gregorius en Basilius, waarschijnlijk sterk beïnvloedde. Een recente ontdekking laat volgens de hoogleraar iets zien van de grote invloed die vrouwen hadden. In de catacomben, waar christenen hun doden begroeven, bevonden zich veel kindergrafjes. Wat zeiden de Romeinen: „Zie je wel, christenen zijn kindermoordenaars.” Onderzoek wijst echter uit dat christelijke moeders naar de plaatsen gingen waar Romeinse moeders gehandicapte en ongewenste kinderen te vondeling legden. Deze matrones namen de kinderen mee en voedden ze christelijk op. Sommige kinderen bleven leven, anderen stierven. Zij werden in de catacomben begraven. Prof. Van Geest: „Hun eerbied voor het leven leidde tot een groei van het christendom.”

Paul van Geest

Prof. dr. P. J. J. van Geest (Den Haag, 1964) is neerlandicus en theoloog. Hij studeerde in Leiden, Rome en Jeruzalem en is sinds 2007 hoogleraar kerkgeschiedenis en geschiedenis van de theologie aan Tilburg University.

Eerder was hij bijzonder hoogleraar augustijnse studies aan de voormalige Katholieke Theologische Universiteit Utrecht en bekleedde hij dezelfde leerstoel aan de Vrije Universiteit (VU) Amsterdam, waarmee hij de eerste rooms-katholieke hoogleraar aan de protestantse faculteit werd.

In 2008 was prof. Van Geest een van de drijvende krachten achter de oprichting van het Centrum voor Patristisch Onderzoek (CPO) van Tilburg University en de VU, een interuniversitair instituut waaraan hij vanaf het begin als hoogleraar-directeur leiding gaf.

Zijn leeropdracht behelsde het onderzoek naar leven en werk van Augustinus en de doorwerking daarvan in latere eeuwen.

Sinds een jaar vervult hij de functie van parttimehoogleraar theologie en economisch denken aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Ook vormt hij samen met prof. dr. Bert Jan Lietaert Peerbolte de redactie van de ”Brill Encyclopedia of Early Christianity”, een encyclopedie van het vroege christendom.