„Versterk het ambt van predikant in CGK”

Synode CGK 2019
beeld RD
2

Het ambt van predikant moet worden opgewaardeerd. Dat is de boodschap van een document over de ambten, waarover de generale synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) zich donderdag boog. Er wordt nagedacht over een soort „superintendent”, een bovenplaatselijke ambtsdrager die een doorslaggevende rol in beroepingswerk en conflicten kan spelen.

De landelijke vergadering maakte een begin met de discussie over de toekomstige ambtsstructuur van de CGK: de inhoud van de ambten en de afbakening tussen predikant, ouderling en diaken.

In de eerste zittingsweek besloot de synode een adviescommissie ambtsstructuur in te stellen, met als leden ds. R. G. den Hertog, prof. dr. A. Huijgen en prof. dr. M. J. Kater. Deze commissie kreeg de opdracht om de ambten „in samenhang te doordenken” en de synode te dienen met een advies op hoofdlijnen.

Waar kerkhervormers als Martin Bucer en Johannes Calvijn vooral het ambt van ouderling benadrukten en elke vorm van hiërarchie afwezen, legt het huidige document de nadruk op de eigenheid van de ambten van predikant en ouderling ten opzichte van elkaar. „In de zestiende eeuw was hiërarchisch denken gebruikelijk en betekende het gereformeerde accent op de gelijkheid van de ambten en beslissende doorbreking daarvan. In onze tijd is gelijkheid een breed gedeeld ideaal; het aanbrengen van gelaagdheid in de ambten is daarop een passend antwoord.” Het rapport zet vooral in op een belangrijkere rol van de predikant in de kerken.

Vrouwelijke diaken

Verschillende synodeleden uitten kritiek op de mogelijkheid om vrouwelijke diakenen aan te stellen, namelijk door diakenen niet langer als deel van de kerkenraad te zien. Dat is een breuk in de lange traditie van onze kerken, zo stelde ds. H. Peet uit Sliedrecht. Dat de cultuur zo’n invloed heeft op het rapport, gaf hem „zorg en vervreemding.”

Ds. G. R. Procee uit Middelharnis benadrukte de eenheid van de ambten, dus ook van diaken en ouderling. Hij heeft bedenkingen tegen de superintendent. „Dat zal niet werken; er wordt nu al niet geluisterd naar een consulent, classis of synode.”

Emeritus hoogleraar prof. dr. A. Baars vindt dat veel kritiek op het rapport hout snijdt. „Achter de inhoud van het rapport sta ik niet, wel achter de oprechte poging om het ambt op te waarderen. Hier is geprobeerd om het ambt het ambt te laten zijn en dat waardeer ik zeer.”

De superintendent noemde hij een luthers-calvinistische uitvinding. „Ik vind dit niet een begaanbare weg, vooral als een superintendent zich gaat inlaten met het beroepingswerk. Blijven we dan nog een synodaal-presbyteriale kerk?”

Prof. Huijgen verdedigde de hoofdlijnen van het rapport. „Hoe ziet de kerk er over vijftig jaar uit? Zitten we hier dan nog in deze setting?” Het beroepingswerk zit volgens hem vast en daarom is er een superintendent nodig. „Geen baasje, maar een oliemannetje. Het helpt als iemand een formele titel heeft.”

Prof. Kater ziet in veel kritiek terechte zorg. Maar de commissie laat zich niet uit over vrouwen in het ambt. „We doen hier gewoon het zwijgen toe.”

Commissierapporteur ds. N. C. Smits zei na afloop van de lange discussie dat de commissie de vele opmerkingen gaat verwerken.

Preses ds. J. G. Schenau merkte aan het einde van de zitting op niet de indruk te hebben dat de synode dit rapport „op hoofdlijnen” zal aanvaarden.