Verlangen naar de 
wederkomst

In de brief aan de Thessalonicenzen gaat het onder meer over de wederkomst van Christus. beeld iStock
2

Ds. F. van Deursen, emeritus predikant van de Nederlands Gereformeerde Kerken, heeft aan zijn indrukwekkende reeks commentaren een nieuw deel toegevoegd. Hij laat zich ook nu weer kennen als een zorgvuldig exegeet.

Deze beknopte uitleg van 1 Thessalonicenzen verscheen niet alleen als paperback, maar ook in een gebonden editie binnen de serie ”De Voorzeide Leer”. De auteur schrijft op prettig leesbare wijze, helder en overzichtelijk, zonder te versimpelen. Door heel het boek heen is het verlangen te proeven om het Woord van God aan het hart van de lezers te leggen. De kernboodschap van de brief komt zeker voor het voetlicht. Voor persoonlijke Bijbelstudie of bespreking in groepen is dit boekje dan ook aan te bevelen.

Niettemin plaats ik een tweetal kritische kanttekeningen. Op bladzijde 81 wordt ontkend dat de Schrift ”zielen-zonder-lichaam” zou kennen. Volgens ds. Van Deursen wilde Paulus de rouwende gelovigen niet troosten met een dwaalleer die geen grond heeft in de Schrift. Dan zou hij namelijk geschreven hebben: „Weten jullie niet dat de doden juist veel op de levenden voorhebben? Zij komen niets tekort, want zij zijn al bij de Heer in de heerlijkheid en genieten daar als zielen-zonder-lichaam reeds voorlopige zaligheid!”

Parel

Het is nogal wat om dit als dwaalleer te betitelen. Het gaat juist om een parel van christelijke troost, die bijvoorbeeld in Filippenzen 1:22 aan de orde is: heen te gaan en bij Christus te zijn is verreweg het beste. Naar mijn overtuiging had Paulus de door ds. Van Deursen gewraakte zin beslist wél kunnen schrijven, omdat het hier wel degelijk een aspect, zij het ook een zijlijn, van de christelijke toekomstverwachting betreft. De hoofdlijn is gericht op de wederkomst van Christus en de opstanding der doden, maar dat sluit de verwachting van zalig leven direct na dit leven niet uit. En dat niet omdat onze ziel vanuit zichzelf onsterfelijk zou zijn, maar omdat de Heere Zijn kinderen vasthoudt dwars door de dood heen.

Merkwaardig dat ds. Van Deursen, die hier zulke krachtige taal spreekt in de ontkenning van het leven na de dood, niettemin op bladzijde 85 stelt dat de geloofsgemeenschap met Christus door de dood niet verbroken wordt. Hoe zou dat kunnen als er niet zoiets als een ”ziel” zou bestaan die tijdelijk los van het lichaam bestaat, om op de jongste dag met het dan verheerlijkte lichaam herenigd te worden?

Plaats van Israël

Een tweede bezwaar betreft ds. Van Deursens woordgebruik ten aanzien van het volk van de Joden. Daarachter ligt ongetwijfeld zijn visie op de plaats van het volk Israël in de voortgang van Gods heilshandelen. Er zullen volgens hem tot op de jongste dag wel steeds individuele Joden tot geloof in Christus komen, maar een bijzondere toekomst voor Israël als uitverkoren volk is in zijn visie niet aan de orde. Hier mis ik de diepe liefde en bewogenheid die Paulus onder meer in Romeinen 9 tot 11 tentoonspreidt.

Generaliserend schrijft ds. Van Deursen op bladzijde 44 over „al het hemeltergend kwaad (…) dat het Joodse volk de eeuwen door tegen God en zijn gezanten heeft bedreven.” En: „Zo was en blijft Jezus’ dood voor altijd een Joodse gerechtelijke moord.” Hoezo alleen een Joodse gerechtelijke moord? Dan toch evenzeer een Romeinse, waarbij dan de Romeinen alle niet-Joden representeren? En wat zei Revius ook alweer over ons eigen aandeel in het vreselijke gebeuren van de kruisiging van de Heiland? Zo kun je toch na twintig eeuwen verguizing van het Joodse volk niet meer schrijven? We weten toch van de ”Wirkungsgeschichte” van 1 Thessalonicensen 2:15-16, dat wil zeggen van de desastreuze uitwerking die misbruik van deze tekstwoorden door de eeuwen heen heeft gehad? We moeten toch in het oog houden dat de apostel hier in een bepaalde toegespitste situatie schrijft en dat we zulke woorden niet los van die context mogen veralgemeniseren?

Onjuist vind ik ook de uitspraak op bladzijde 51: „Joden die Jezus als Messias verwerpen, hebben daardoor ook het recht verloren zich Jood te noemen.” Dit doet geen recht aan de dialectiek in het spreken van de apostel, die de Joden blijft bestempelen als „beminden om der vaderen wil” (Rom. 11:28).

1 Tessalonicenzen. Vol verlangen naar Christus’ wederkomst, F. van Deursen; uitg. Buijten & Schipperheijn; 136 blz.; € 13,50.