Uitgestorte Geest

Meditatie week 27 | Hand. 2 vers 17a en 18a

„En het zal zijn in de laatste dagen (zegt God), Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees (…). En ook op Mijn dienstknechten en op Mijn dienstmaagden…”

Handelingen 2:17a en 18a

Rond de inleverdatum voor deze meditatie werd het wereldnieuws gedomineerd door twee zaken: de coronacrisis en de protestdemonstraties naar aanleiding van de gewelddadige dood van George Floyd, die zwarte man uit Amerika, door een blanke agent. En dat alles rond de pinksterdagen.

Wat waren die oude profetische woorden van Joël, door Petrus aangehaald in zijn pinksterpreek, actueel. God Die van Zijn Geest zou uitstorten op alle vlees en op Zijn dienstknechten en dienstmaagden. Allereerst op zwak en zondig mensenvlees. Dat ons vlees zwak is, daar zijn we de laatste maanden wel bij bepaald. Maar ”vlees” staat in de Bijbel ook voor de mens in zijn vloekwaardigheid, zijn kale verlorenheid en vijandschap tegen God.

Wat een troost dat God Zijn Geest juist uitstortte op dat zwakke en zondige mensenvlees. Het wonder daarachter is Christus, het Woord, Dat vlees is geworden en tot zonde werd gemaakt. Om de zonde in het vlees te veroordelen. En het verderfelijke mensenvlees eenmaal in onverderfelijkheid te kunnen laten opstaan. Maar de Geest werd, behalve op menselijk vlees, ook uitgestort op Gods dienstknechten en dienstmaagden. Op Zijn slaven en slavinnen, zoals er eigenlijk staat. Op mensen uit de onderste lagen van de samenleving. Vroeger waren slaven vooral zwarte mensen, geïmporteerd uit Afrika. Zij telden niet mee. En hoe kon de Geest dan ooit op zulke slaven worden uitgestort? Omdat Jezus niet alleen menselijk vlees maar ook de gestalte van een slaaf wilde aannemen. De Knecht, de Slaaf des Heeren, veracht, de onwaardigste onder de mensen. Gekomen om te dienen en verkocht te worden voor het slavenloon van dertig zilveren sikkels. Zo diep moest het Troetelkind van de Vader afdalen, om Zijn Geest op verachten, mensen van de rand, maar ook op ons die van nature slaven der zonde zijn, te kunnen laten uitstorten. De Geest zoekt bij voorbaat het lage op. We kunnen er zomaar ”te hoog van gevoelen” voor zijn, zoals Maria, die zichzelf ook Gods slavin noemde, zong in haar lofzang.

En als de Geest op al die soorten vlees neerdaalt, dan gebeuren er wonderen. Dan gaan zonen en dochters profeteren. Dan krijgen jongeren visioenen en dromen ouderen dromen. Dan gaan zelfs slaven en slavinnen profeteren. Denk aan dat profetisch getuigenis van Martin Luther King in 1968: „I have a dream…” Hij droomde van een natie waarin zijn vier kleine kinderen alleen zouden worden beoordeeld op hun karakter. Laat het onze bede zijn dat het wereldwijde, soms zelfs gewelddadige, protesteren overgaat in wereldwijd profeteren. Rassen en leeftijden, alles door elkaar; gedreven door de Geest.

Petrus heeft het in zijn pinksterpreek over de laatste dagen. Dagen waarin epidemieën rondwaren en de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden. Juist dan is dat profetisch getuigenis zo nodig, inclusief de oproep aan allen die nog steeds niet vernieuwd zijn door het werk van de Geest: „Bekeert u.” Met de oproep voor hen die nog niet gedoopt zijn, zich te laten dopen, tot vergeving der zonden. „En gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.”