Tien lessen van de 1,5 meterkerk

Kerk en corona
Nu het coronavirus weer oplaait, valt te verwachten dat de anderhalvemeterkerk nog wel even zal blijven bestaan. Foto: Dorpskerk in Elspeet. beeld André Dorst
3

Kerkgangers weten inmiddels wel hoe de anderhalvemeterkerk werkt: handen desinfecteren, zitten in niet-afgezette banken en direct na de dienst naar huis. Maar wat hebben kerken in de afgelopen maanden geleerd? En wat betekent dat nu de crisis langer duurt?

De kerken zijn er klaar voor. Dat was de boodschap van Daniëlle Woestenberg, secretaris van het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO), toen op 23 juni bekend werd dat er geen maximumaantal bezoekers van kerkdiensten meer zou gelden, op voorwaarde dat mensen onderling 1,5 meter afstand konden houden. Woestenberg doelde met haar uitspraak op de protocollen die kerkgenootschappen hadden opgesteld.

Het is nu bijna twee maanden later. Wat kunnen kerken leren van wat er sindsdien gebeurd is? En waar liggen de grootste uitdagingen voor de nabije toekomst, nu de anderhalvemeterkerk misschien wel tot in 2021 de norm blijft? Tien lessen op een rij.

1. De kerkenraad heeft een grote verantwoordelijkheid.

Landelijke kerkgenootschappen hebben modellen voor protocollen en gebruiksplannen van kerkgebouwen opgesteld en verspreid onder lokale gemeenten. Plaatselijke kerkenraden hebben de verantwoordelijkheid om op basis daarvan protocollen voor hun eigen diensten op te stellen, zodat die gehouden worden binnen de kaders van de coronaregels. De kerkenraad ziet ook toe op de naleving van de regels.

2. De protocollen bieden kerkenraden vrijheid voor de invulling van kerkdiensten.

Het opstellen van een protocol mag een hele verantwoordelijkheid zijn, toch zitten er voordelen aan. Zo kan een predikant liturgische handelingen uitvoeren –zoals het bedienen van de heilige doop– waarbij de anderhalvemeterregel tijdelijk doorbroken wordt. Zolang in het protocol maar staat wat er op zo’n moment precies gebeurt en welke hygiënemaatregelen er worden genomen. Ook in het maken van keuzes rond gemeentezang en het selecteren van gemeenteleden die aanwezig zijn tijdens een dienst, mag een kerkenraad zelf bepalen wat hij wijs vindt om te doen.

Op het hoogtepunt van de coronacrisis was een verbinding op afstand voor verreweg de meeste kerkgangers de enige optie om een dienst te volgen. beeld Neustockimages

3. De overheid speelt geen politieagentje.

Wettelijk gezien zitten er veel haken en ogen aan handhaving door een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) of de politie tijdens een kerkdienst. „Voor zover ik weet, zijn handhavers nooit naar binnen gegaan”, aldus minister Grapperhaus van Eredienst vorige maand in het Nederlands Dagblad. „Dat is ook niet de bedoeling. In een gebouw van God is het aan gelovigen zelf verantwoordelijkheid te nemen.”

Dat neemt niet weg dat kerkenraden er zorg voor moeten dragen dat het risico op de verspreiding van het coronavirus tijdens een dienst zo klein mogelijk is. Kerkdiensten kúnnen –net als andere gelegenheden waarbij groepen mensen bijeen zijn– ”superspreading events” zijn, zo hebben voorbeelden uit het buitenland laten zien. Zulke situaties moeten voorkomen worden.

4. Het overleg tussen kerken en de overheid biedt mogelijkheden voor kerkdiensten.

Vanaf het begin van de crisis heeft het CIO met andere religieuze koepelorganisaties regelmatig overlegd met minister Grapperhaus. Mede dankzij die overleggen was er voor kerken relatief veel mogelijk, ook op het hoogtepunt van de epidemie. Het houden van diensten met maximaal dertig personen is altijd mogelijk geweest.

In veel andere landen waren de regels strenger. Tot op het onredelijke af, bleek toen de Hoge Raad in Duitsland en Frankrijk oordeelde dat een totaalverbod op religieuze samenkomsten te ver ging. Vanuit Engeland zijn verhalen bekend van voorgangers die niet eens in hun eentje een dienst mochten leiden in de kerk, maar via internet vanuit huis moesten preken.

Nederlandse kerken hebben ook laten zien dat zij de grenzen niet opzochten. Een handjevol kerken belegde diensten met dertig aanwezigen, en hier en daar klonk er kritiek, maar het overgrote deel gaf gehoor aan de oproep om de bezetting te beperken tot „zo klein als noodzakelijk.”

Mocht er een tweede golf komen, dan blijft de overlegstructuur bestaan. In de praktijk blijkt dat kerken proactief handelen. Zo zijn eind juli drie Syrisch-orthodoxe kerken in Enschede uit eigen beweging gesloten toen bleek dat er sprake was van een corona-uitbraak onder de leden. Die uitbraak was niet te herleiden tot een dienst.

5. Met liturgische vragen zijn kerken bij de overheid aan het verkeerde adres.

Het overleg tussen kerk en overheid is goed georganiseerd, maar dat betekent niet dat de overheid op alle kerkelijke vragen een antwoord heeft. Dat bleek toen journalisten aan minister-president Rutte en minister De Jonge van Volkgezondheid vragen stelden over het zingen tijdens kerkdiensten. „Helaas: de kerkdiensten kunnen weer, ook op grotere schaal, maar niet zingen. Dan zullen de psalmen moeten worden voorgelezen of wat men ook gaat doen”, was het antwoord van Rutte op 24 juni. Zo’n reactie was te verwachten. De Jonge had in mei al gezegd: „Verspreid het Woord en niet het virus”, terwijl Rutte erop aandrong om met een zo klein mogelijk aantal mensen in kerken bijeen te zijn.

Uiteindelijk bleek dat er geen „psalmenpolitie” zou komen en in de aangepaste noodverordeningen van veiligheidsregio’s het zingen als uiting van geloof een uitzonderingspositie kreeg. Maar toch werd samenzang in kerken door de bewindslieden genoemd in combinatie met spreekkoren in een stadion. Onder meer de SGP stelde dat dit twee heel verschillende zaken zijn.

Voor mensen van buiten de kerk is dat onderscheid echter niet zo helder. De Nijmeegse burgemeester Bruls schreef op 16 juli in een vertrouwelijke brief aan de ministers De Jonge en Grapperhaus dat het juichverbod in stadions niet te handhaven is. Een van de redenen daarvoor: zingen in de kerk en in koren is wel toegestaan. „Dit bevordert het draagvlak niet”, aldus Bruls.

In de anderhalvemeterkerk kunnen grotere kerkelijke gemeenten niet al hun leden tegelijkertijd ontvangen. Thuis meekijken of -luisteren is een alternatief. beeld Sjaak Verboom

6. Bij overheidsinstanties is soms sprake van ”religieus analfabetisme”.

In het verlengde van het voorgaande kan nog worden gewezen op het ontbreken van kennis bij adviseurs van de overheid als het gaat om de kerkelijke praktijk. Het RIVM-rapport over de relatie tussen zingen en de verspreiding van het coronavirus is daarvan een voorbeeld. Het lijkt erop dat de onderzoekers van het RIVM ervan uit zijn gegaan dat kerken met de aanbevelingen voor koorzang wel uit de voeten zouden kunnen. Terwijl menig protestantse kerk dusdanig veel waarde hecht aan gemeentezang dat een koor geen echt alternatief is.

Het gevaar van de onkunde als het gaat om de kerkelijke kaart is dat kerken zich niet gehoord voelen of zelf conclusies trekken als: koorzang mag, dús massale gemeentezang ook. Wat ook kan gebeuren, is dat kerken de motieven van de onderzoekers in twijfel trekken. Als zij niet weten wat wij doen, waar bemoeien ze zich dan mee? Willen ze ons soms dwarszitten?

7. Kerken doen er goed aan gebruik te maken van de expertise die ze in huis hebben.

Een ander rapport –van de werkgroep Zingen in de kerk, die onder meer de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) heeft geadviseerd– laat zien dat kerken in hun achterban zelf kennis en kunde in huis hebben die ze kunnen benutten. Een groep wetenschappers op het gebied van ventilatie en binnenmilieu kwam met een rapport en een praktische rekenhulp waarmee kerkenraden kunnen berekenen hoe groot het risico op verspreiding van eventueel besmette lucht in hun gebouw is. In de disclaimer bij het onderzoek stond: „De leden [van de werkgroep] zijn goed bekend met de kerkelijke praktijk in Nederland.” Dat schept vertrouwen; deze mensen weten wat er in een kerk gebeurt. Ds. Wilbert van Iperen, classispredikant binnen de PKN, was bij de overleggen betrokken. Praten mét mensen uit de kerk is immers beter dan praten óver. En zo kon hij de bevindingen van de wetenschappers overbrengen en ‘vertalen’ naar plaatselijke gemeenten.

8. Kerken gaan op verschillende manieren om met de bediening van het avondmaal.

Uit overzichten van kerkdiensten in den lande is gebleken dat sinds 1 juli met name doop- en belijdenisdiensten in veel protestantse kerken doorgang hebben gevonden. Met de viering van het heilig avondmaal wordt verschillend omgegaan. De Protestantse Kerk publiceerde al tijdens de coronacrisis een bezinning op het vieren van het avondmaal op afstand. De Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) kwamen met een protocol waarin stond dat het avondmaal wel gevierd kon worden, mits er gebruikgemaakt zou worden van een bekertje wijn per persoon en bij voorkeur het brood zou worden afgenomen van een schaal in plaats van aanreiken.

Andere kerken adviseren om het heilig avondmaal uit te stellen. De Hersteld Hervormde Kerk (HHK) geeft dat advies „zolang de gemeente niet in haar geheel fysiek kan opkomen.” Wil een kerkenraad het avondmaal wel houden, dan „dienen de bepalingen uit het protocol nagevolgd te worden.” Dat houdt concreet in dat er niet uit één beker gedronken kan worden, dat het brood van een schaal wordt afgenomen en dat de predikant zowel vooraf als naderhand zijn handen desinfecteert.

De Gereformeerde Gemeenten (GG) adviseren ook om het avondmaal uit te stellen. In juli kwamen de GG met een nadere toelichting. Het gebruik van een bekertje per persoon, het anders omgaan met het breken van het brood en het achterwege laten van het aanzitten aan de tafel zijn volgens de deputaten niet te verkiezen boven het uitstellen van de bediening van het sacrament. „Wij dringen erop aan om de wijze waarop in onze gemeenten altijd het Heilig Avondmaal bediend wordt niet in deze richting bij te stellen. Uitstel van het houden van het Heilig Avondmaal is dan meer op zijn plaats.”

Wil een kerkenraad wel avondmaal houden, dan blijft het advies om dat „op de ons gebruikelijke wijze te vieren, en naar de gemeente duidelijk te maken dat het bevel des Heeren en het heilig houden van het sacrament zo zwaar wegen, dat u in opzien tot en vertrouwen op de Heere en tot versterking van het geloof ruimte ervaart de bediening te laten plaatsvinden.” Geen enkel belijdend lid mag uitgesloten worden om te kunnen deelnemen, voegen de deputaten daar nog aan toe. „Dit kan tot gevolg hebben dat in een grote gemeente op dezelfde zondag het heilig avondmaal verschillende keren bediend moet worden als de omvang van de gemeente dat eist.”

9. Kerkgangers moeten hun verantwoordelijkheid blijven nemen.

Deze zomer laat zien dat het effect van alle coronamaatregelen –binnen en buiten de kerk– valt of staat met de naleving ervan. Alle protocollen bevatten de bepaling dat mensen met klachten thuis moeten blijven. Als er sprake is van koorts, blijft het hele gezin thuis. Het is aan de mensen zelf om eerlijk om te gaan met de vraag die bij de kerkdeur van grotere gemeenten gesteld moet worden: Heeft u klachten?

10. Niemand mag vergeten worden. Zeker de ouderen niet.

Het is in de huidige situatie makkelijk om als gemeentelid ‘onder de radar’ te raken. Mensen die toch al niet graag of trouw naar de kerk gingen, kunnen sneller besluiten er maar mee te stoppen. Of mensen voelen zich minder gezien. Zij hebben aandacht nodig in het pastoraat. Een huisbezoek op afstand, een tuingesprek of een pastorale wandeling; het zijn allemaal initiatieven die tijdens de coronatijd hiervoor zijn ontwikkeld. Als de dagen straks korter en kouder worden, is een bezoekje of telefoontje misschien extra nodig.

Ouderen krijgen –net als mensen uit risicogroepen– in de protocollen het advies zo veel mogelijk thuis te blijven. Een kerkenraad kan een leeftijdsgrens voor bezoekers hanteren. Maar juist ouderen, die soms een kleiner netwerk hebben dan jongeren, kunnen het sociale aspect van de kerk zo missen. Dan kan een klein gebaar –een telefoongesprek, raamvisite, het doen van boodschappen of het bezorgen van een kleurplaat gemaakt door kinderen uit de gemeente– al van grote betekenis zijn.