Themapreek 8: Aangetast door tering, niet overwonnen

Kerk en corona
Titelpagina van een boek over „de aard, verschijnselen en behandeling” van de tering. beeld RD
2

Terwijl ds. Tonnis van Duinen een ”Woord vooraf” schrijft, weet hij dat hijzelf de uitgave met enige van zijn preken nooit gedrukt zal zien: hij voelt de dood naderen. De tering tast hem aan – de levensbedreigende ziekte die hem toch niet overwinnen zal.

Tonnis van Duinen (1817-1857) is predikant in Mantgum, waar hij in 1854 gekomen is. Eind 1856 blijkt dat hij aan de tering lijdt –tegenwoordig tbc (tuberculose)– een ernstige, soms besmettelijke infectieziekte, die door bacteriën wordt veroorzaakt. Symptomen ervan zijn pijn op de borst en langdurig hoesten, soms met bloed. Ook bij Van Duinen vermeerderen de hoestvlagen zich, maar, aldus de ”Voorrede” in zijn bundel, verschenen onder de titel ”Zestal nagelaten leerredenen”, blijven „’t geloof en de liefde toch steeds bewaard.” Zelf schrijft Van Duinen dat hij hoopt te mogen sterven, „gesterkt en getroost” en in de wetenschap dat hij „in God een Vader zal ontmoeten die mij liefheeft en in Jezus Christus Zijn liefde mij heeft bewezen.”

De bundel is bedoeld als een aandenken en hij draagt ze op aan de vijf gemeenten die hij heeft gediend. Het zijn gemoedelijke, tegelijk waarschuwende preken; duidelijk worden er de twee uiteindelijke bestemmingen van de mensen voorgehouden.

Vertrouwen

Het meest van toepassing op Van Duinens eigen leven is de eerste leerrede. Die gaat over Psalm 9:11a: „En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen.” Over dit vertrouwen zegt hij dat „waar het vertrouwen op God in ons hart woont, daar hebben wij ons aan God en Zijn leiding overgegeven.” Een mens die op God vertrouwt, ontvangt stil en blijmoedig „hetzij lief of leed.” Overeenkomstig de Bijbeltekst maakt Van Duinen het vertrouwen op God niet los van het kennen van Gods Naam. De Naam des Heeren te kennen houdt in „God recht en volkomen te kennen” in Jezus Christus. Van Duinen: „In Hem leren wij God kennen in Zijn wijsheid, heiligheid en oneindige liefde.”

Heeft de ernstig zieke ook zelf in dit vertrouwen geleefd? In de ”Voorrede” staat dat als de gevreesde tering –„die verraderlijke sluipmoorderes”– hem aantast, Van Duinen wel vreest voor het ogenblik van sterven, maar voor wat na het sterven komt, vreest hij niet. In onderworpenheid aan Gods wil verlangt hij er zelfs naar. Eens, kort voor zijn dood, kan hij niet slapen door de „vele aanvallen en worstelingen” in een nacht die hem „lang en bang” valt. Hij roept uit: „Zaal’ge nacht! Zaal’ge nacht! Slaap’loos doorgebracht! Als in menig stille stond (=uur), ’t Hart met God gemeenschap vond.”

Afscheid

Als een collega hem niet veel later bezoekt, nemen ze voor de laatste maal afscheid van elkaar. Wat Van Duinen daarbij zegt, is voor de ander een „treffend blijk” hoe „zijn leven met Christus in God” verborgen is.

Tonnis van Duinen laat een weduwe en twee kinderen na. Zijn sterfdatum is 9 mei 1857; de doodsoorzaak is de gevreesde tering, die hem heeft aangetast, maar hem, die zijn vertrouwen op God heeft gesteld, toch niet kan overwinnen.

Kerkhistoricus dr. Henk Florijn belicht deze weken steeds een themapreek uit het verleden. Deel 8 (slot).