Themapreek 2: Geen rund in de stal

Kerk en corona
„Schrik Neerland”: een boer, klagend over de veepest, 1745. beeld Rijksmuseum
2

De builenpest veroorzaakt veel slachtoffers onder de mensen, de veepest dunt hele stallen uit. Zo is deze virusziekte, al dan niet gevolgd door menselijke epidemieën, een oordeel over de inwoners.

In de achttiende eeuw wordt Nederland meermalen getroffen door de veepest, een besmettelijke ziekte die te herkennen is aan de ontstoken slijmvliezen van de dieren, het verliezen van de eetlust en het niet meer willen herkauwen. De runderen krijgen koorts en na negen à tien dagen gaan ze dood. Vooral in de periodes 1713-1720, 1744-1765 en 1769-1786 teistert deze epidemie Nederland.

Hoe komt het? De gereformeerden wijzen bij de eerste uitbraak vooral op „de-straf-op-de-zonde-idee.” Later wordt deze opvatting overigens steeds meer losgelaten; een duidelijk gevolg van de toenemende verering van het menselijk verstand en het afstand nemen van Gods Woord.

Tot de orthodox-gereformeerden behoort ds. Johannes Adrianus Mobachius (1675-1742). In 1716 verschijnt zijn ”De waare oorzaken van Neerlands plage wegens de groote sterfte onder het rundvee”. Het is een uitgewerkte biddagpreek, voorzien van een heel behoorlijk lofdicht door zijn zoon, de later bekend geworden Joachim Mobachius (1699-1790), predikant en veelschrijver. Deze vat de inhoud van het boek goed samen, geeft de strekking juist weer en benadrukt dat de Nederlanders zich ondankbaar hebben getoond, na alle voorgaande weldaden. Daarom is er kastijding „met zo’n zware plage onder het vee, dat” –hij benadrukt het– „dus onschuldig moet ’s lands schulden boeten mee.”

Vader Mobachius’ Bijbeltekst is Klaagliederen 3:38-40: „…Wat klaagt dan een levend mens? Eenieder klage vanwege zijn zonden. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den Heere.” Hij noemt de toestand rond 1714 hoogst ernstig, de sterfte is groot: „zovele duizenden van die beesten, die God tot ’s mensen onderhoud geschapen heeft”, zijn dood gegaan: in Friesland ongeveer 40.000 dieren; in de provincie Groningen hebben sommige boeren binnen acht dagen er soms dertig verloren. Anderen raakten al hun beesten kwijt en zijn geheel verarmd. Gesteund door de biddagbrief van de overheid, schrijft Mobachius: „Het is een bijzonder oordeel van de Almachtige over de inwoners van het land.”

Mag je klagen over dit verlies aan runderen? Zeker, maar overeenkomstig de Bijbeltekst moet vóór alles geklaagd worden over de zonden die de oorzaak zijn. En nog iets, de mensen moeten ook verder kijken, want „de Allerhoogste” komt „in Zijn straffen en plagen van mindere tot zwaardere oordelen.” Wordt Nederland getroffen door ziekten van het vee, zonder dat men wederkeert tot de Heere, dan zullen de plagen zeker over de mensen zelf komen.

Mobachius roept tegelijkertijd op tot dankbaarheid. Daar zijn overvloedig redenen toe: zoveel goederen en voedsel zijn ons gelaten. Maar belangrijker blijven altijd de „grote heilgoederen in Christus Jezus”, want daarin is heerlijke vreugde. Daarom kan bij ware wederkeer gezegd worden, „met de kerk uit Habakuk 3:17,18”: „Alhoewel… dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal, zo zal ik nochtans in de Heere van vreugde opspringen.”

Kerkhistoricus dr. Henk Florijn belicht de komende vrijdagen steeds een themapreek uit het verleden. Deel 2.