Studiedag: nadenken over de verhouding jodendom en christendom

beeld RD
3

„Het moet niet gaan over de kerk en Israël, maar over christendom en jodendom.” Dat zei ds. J. G. Offringa woensdag in Amsterdam. „Houd het bij een gelijkwaardige dialoog tussen jodendom en christendom, waarbij er ook erkenning is.”

Naar aanleiding van de recente publicatie van ds. Offringa, protestants predikant in Wijk bij Duurstede, ”De kerk kan prima zonder Israëltheologie”, hadden de Protestantse Theologische Universiteit (PThU), de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) en Stichting tot Bevordering van Wetenschappelijk Onderwijs in de Judaïstiek (SBWOJ) gezamenlijk een studiemiddag belegd. Vanuit academisch perspectief werd de vraag belicht: ”Wat heeft de Kerk met Israël?” De bijeenkomst in De Nieuwe Poort in Amsterdam trok zo’n 140 bezoekers.

Miskotte

Dr. Gert van Klinken, docent kerkgeschiedenis aan de PThU, hield een lezing vanuit kerkhistorisch perspectief over de verhouding van de Protestantse Kerk in Nederland tot het volk Israël. Hij stelde dat het historisch gezien niet vanzelfsprekend is dat een kerk in haar kerkorde vermeldt dat zij onopgeefbaar verbonden is met het volk Israël. „Rond 1900 kwam dit in de calvinistische voorlopers, de Hervormde en de Gereformeerde Kerk, niet voor.”

Door het werk van de theoloog K. H. Miskotte en de nieuwe hervormde kerkorde van 1951 kwamen er aanzetten tot vernieuwing, aldus Van Klinken. Het jodendom stelde fundamentele vragen aan de kerk. De gemeente van Jezus Christus is niet volgroeid en het Koninkrijk van God is niet tot volle openbaring gekomen zolang Israël niet tot de Messias is teruggebracht. De verhouding tot Israël hoorde thuis in het belijden van de kerk. „Die verhouding was niet langer lineair, maar dialectisch.”

Van een daadwerkelijke dialoog was in die tijd nog geen sprake, aldus Van Klinken. In de handreiking van de Hervormde Kerk, ”Israël, volk en staat” uit 1970, werden de lijnen nog verder doorgetrokken. „Wie de blijvende verkiezing van Israël erkende, diende dat ook te doen met het recht op het land.” De Gereformeerde Kerken in Nederland namen in die tijd ook afstand van Jodenzending en gingen deelnamen aan het gesprek van Kerk en Israël.

Twee lijnen

Prof. dr. R. H. Reeling Brouwer, bijzonder hoogleraar aan de PThU, hield een lezing vanuit theologiehistorisch perspectief over de verhouding van de PKN tot het volk Israël. Daarbij besprak hij twee lijnen: een Duitse liberaal-theologische lijn –van onder anderen Friedrich Schleiermacher– en een lijn van de naoorlogse Nederlandse vrijzinnigheid. Reeling Brouwer stelde dat het manifest van ds. Offringa beter past bij de Duitse liberaal-theologische lijn dan bij de Nederlandse naoorlogse lijn.

Dr. R. Benjamins, bijzonder hoogleraar vrijzinnige theologie, sprak over Israël in de vrijzinnige theologie. „Het christendom is in de vrijzinnigheid georiënteerd op Christus, en de Bijbel is daarbij mensenwerk.” Benjamins stelde dat een onopgeefbare verbondenheid met Israël problematisch is onder meer omdat niet duidelijk is waar Israël voor staat. Staat het voor de oud-israëlitische literatuur, het Jodendom of de staat Israël? „Daardoor ontstaat een dubieuze politieke theologie.”

Benjamins gaf verder aan dat Christus een Jood was, maar niet Israëlitisch moet worden begrepen. „Het christendom heeft zich uit het Jodendom in een hellenistische context ontwikkeld tot een standaardreligie. Vanuit die positie kunnen gesprekken gevoerd worden op voet van gelijkwaardigheid. De onopgeefbare verbondenheid met Israël is een dusdanig onhelder en geladen christentheologisch concept dat het hier niets aan bijdraagt.”

Prof. dr. W. H. Slob, bijzonder hoogleraar vanwege de Stichting bijzondere leerstoel protestantse theologie op de leerstoel ”Protestantse Kerk, theologie en cultuur”, betoogde dat het Jodendom en het christendom zich antithetisch hebben ontwikkeld. „Juist daarom zijn zij niet tot elkaar herleidbaar. Het onoverbrugbare verschil zal zijn of Jezus als Christus kan worden erkend.”

Tegenbewegingen

Prof. dr. A. Houtman, bijzonder hoogleraar Judaïca, sprak over het al dan niet uiteengaan van het jodendom en het christendom. Er is onmiskenbaar een breuk tussen die twee, zei hij. „Maar de geschiedenis heeft laten zien dat er tegenbewegingen zijn geweest, dat de wegen elkaar hebben gekruist en dat we soms zelfs even samen optrokken.”

De slotlezing werd verzorgd door Rachel Reedijk, cultureel antropoloog, die inging op de scheiding van de wegen tussen Jodendom en christendom.