Statenvertalers maakten dankbaar gebruik van Joodse deskundigheid

Onze gereformeerde voorvaderen hadden er geen moeite mee om zich door Joodse Bijbeluitleg en rabbijnse kennis van het Hebreeuws te laten inspireren. Foto: fragment uit Hebreeuwse Bijbel. beeld iStock
3

Van rechtstreekse Joodse invloed op de Statenbijbel was geen sprake, maar indirect hadden Joodse geleerden wel degelijk hun inbreng. Dankzij de publicaties van christenhebraïsten maakten de Statenvertalers kennis met de inzichten van grote rabbijnen.

Nu we dit jaar herdenken dat 400 jaar geleden de Nationale Synode van Dordrecht werd gehouden, wordt er in tal van publicaties ook aandacht besteed aan het tot stand komen van de Statenbijbel. Dat is niet verwonderlijk, omdat de Statenvertaling er gekomen is dankzij een besluit op deze belangrijke kerkelijke vergadering. Bijzonder is dat koning Willem-Alexander op 10 november tijdens de herdenking in Dordrecht een gedeelte uit de Statenbijbel zal voorlezen.

In de notulen van de synodezitting van 19 november 1619 valt te lezen: „Ten eerste of het nodig en de kerk tot voordeel zoude zijn een nieuwe overzetting des bijbels voor te nemen. Ten andere, op welke wijze deze tot nut en stichting van de Kerken ten bekwaamste zoude kunnen gedaan worden. Ten derde, hoe velen en wien deze arbeid, uit naam der Nederlandse Kerken opgelegd zoude worden.”

Bij alle aandacht die in dit jubileumjaar aan de Statenbijbel wordt geschonken, is tot nu toe één aspect onderbelicht gebleven, namelijk de vraag of en zo ja in hoeverre er aan de Statenvertaling ook een bijdrage is geleverd door Joodse geleerden.

Binnen de wetenschappelijke literatuur van de afgelopen decennia is daarover wel een- en andermaal geschreven. Daarbij is het bepaald niet koekoek één zang. De meningen lopen ver uiteen. Sommigen denken dat de Statenvertalers persoonlijk bij Joodse geleerden te rade zijn gegaan. Van enig bewijs hiervoor is echter geen sprake. Gelet op het kritische toelatingsbeleid ten aanzien van medewerkers lag rechtstreekse Joodse participatie ook niet voor de hand.

Tijdens de dertiende zitting van de Dordtse Synode (november 1618) vond de benoeming plaats van zowel vertalers als revisoren. Particuliere synoden en hoogleraren mochten namen aandragen van in hun ogen bekwame mensen. Met meerderheid van stemmen benoemde men als vertalers van het Oude Testament achtereenvolgens Johannes Bogerman, predikant te Leeuwarden, Gerson Bucerus, predikant te Veere, en Wilhelmus Baudartius, predikant te Zutphen. Als hun vervangers werden aangewezen Antonius Thysius, hoogleraar theologie te Harderwijk, Jacobus Rolandus, predikant te Amsterdam, en Hermannus Faukelius, predikant te Middelburg.

Strenge selectieprocedure

Minstens zo interessant als de namen van hen die werden uitgenodigd om een bijdrage te leveren, is nagaan wie er buiten deze prestigieuze vertaalonderneming werden gehouden. Opvallend afwezig in het rijtje van genoemde namen is de befaamde christenhebraïst Sixtus Amama. Deze zeer begaafde kenner van het Hebreeuws en van rabbijnse Bijbelcommentaren is op de synode wel genoemd, maar de vergadering aarzelde hem aan te stellen als medewerker. Twijfel aan zijn rechtzinnigheid was daarvan de doorslaggevende reden. Dat verhinderde de vertalers evenwel niet om dankbaar gebruik te maken van Amama’s publicaties op het terrein van de Joodse taal en Joodse schriftuitleg. Zijn Hebreeuwse grammatica verscheen een jaar nadat de vertalers van de Statenbijbel daadwerkelijk aan de slag waren gegaan. Deze eerste Hebreeuwse grammatica in het Nederlands heeft substantiële diensten bewezen bij de totstandkoming van de Statenvertaling.

In het licht van de gevolgde selectieprocedure is het niet bepaald logisch dat Joden persoonlijk betrokken werden bij het vertaalproject. Als gerespecteerde christelijke deskundigen al te licht bevonden werden, hoe zou men dan Joodse geleerden inschakelen? Rechtstreekse bemoeienis van Joodse zijde was dan ook hoogst onwaarschijnlijk. Wanneer dat wel het geval was geweest, hadden enkele opmerkelijke vertaalfouten wellicht voorkomen kunnen worden. Om één voorbeeld te noemen: in Jozua 2:7 hebben de Statenvertalers geschreven dat de mannen van Jericho de verspieders najaagden „op den wegh der Jordane, tot aen de veyren.” In de kanttekeningen wordt uitgelegd dat de veren bedoeld worden waarmee men over de Jordaan placht te varen. Vanuit het Hollandse polderland gezien is deze gedachte aan veerdiensten alleszins begrijpelijk. De eerste de beste rabbijn zou de vertalers echter hebben verteld dat deze in Israël ontbraken en dat gedacht moet worden aan doorwaadbare plaatsen in de Jordaan.

Oorspronkelijke manuscripten

Met de constatering dat er van rechtstreekse Joodse invloed op de Statenbijbel geen sprake was, is echter nog lang niet alles gezegd. Op indirecte wijze hebben Joodse geleerden wel degelijk hun inbreng in deze fameuze Nederlandse Bijbelvertaling gehad. Dankzij de publicaties van christenhebraïsten kwamen de vertalers ook in aanraking met rabbijnse literatuur en maakten ze kennis met de inzichten van grote rabbijnen als Rashi, Abraham Ibn Ezra, David Kimchi, Saadja Gaon, Nachmanides en anderen.

In de oorspronkelijke manuscripten van de Statenvertalers, die nog altijd te raadplegen zijn in het Oud-Synodaal Archief van de vroegere Nederlandse Hervormde Kerk, treft men tal van verwijzingen aan naar Hebreeuwse woordenboeken en andere bronnen die zijn gebruikt. De meeste referenties betreffen werken van christelijke hebraïsten, die op hun beurt weer toegang verschaften tot rabbijnse commentaren en verklaringen van Bijbelgedeelten. Behalve aan Amama en diens leermeester Drusius, die eveneens buiten de vertaalgroep werd gehouden, valt te denken aan mensen als Constantijn l’Empereur, Jean Mercier (Mercerus) (professor Hebreeuws aan het College de France te Parijs), François Vatable, Tremellius, de beide Buxtorfen en vele anderen. Zonder deze kenners van het Hebreeuws is de Bijbelvertaling die het leven en geloven in de Republiek zo diepgaand heeft gestempeld eenvoudig niet denkbaar.

Rabbijnenbijbel

Behalve het oeuvre van christelijke hebraïsten is er nog een tweede bron te noemen waaruit de vertalers rijkelijk hebben geput. Het staat vast dat men veelvuldig gebruikgemaakt heeft van de zogeheten Rabbijnenbijbel. Deze Bijbel bevatte in parallelle kolommen naast de Masoretische Hebreeuwse grondtekst ook de Arameese targoems (vertalingen), met daarnaast diverse verklaringen van rabbijnen.

Er waren meerdere van deze Rabbijnenbijbels (Miqra’ot Gedolot) in omloop. Heel bekend was de Venetiaanse uitgave, die voor het eerst verscheen in 1516/1517, bij de befaamde drukker Daniël Bomberg. In 1618/1619 was in Basel de zesde editie van de Biblia Rabbinica van de persen gerold, bewerkt door de christenhebraïst Buxtorf de Oudere (1565-1629). Hoogstwaarschijnlijk hadden de Statenvertalers deze uitgave tot hun beschikking. Van ds. Johannes Bogerman, de voorzitter van de Nationale Synode, weten we in ieder geval zeker dat hij een exemplaar in zijn boekenkast had staan.

Hoogliedverklaring

Over de mate waarin en de wijze waarop de Statenvertalers rabbijnse inzichten hebben overgenomen, is nog veel onbekend. Gedurende lange tijd werd daar ook weinig onderzoek naar gedaan. Twee studies hebben evenwel een tipje van de sluier opgelicht.

In 1992 verdedigde M. Verduin zijn proefschrift getiteld ”Canticum Canticorum. Het Lied der liederen. Een onderzoek naar de betekenis, de functie en de invloed van de bronnen van de kanttekeningen bij het Hooglied in de Statenbijbel”. Verduin toont daarin aan dat de kanttekeningen op het Lied der liederen voor een zeer belangrijk deel zijn gebaseerd op de Hoogliedverklaring van de Zierikzeese predikant Godefridus Udemans. Deze volbloed vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie heeft op zijn beurt sterk aangeleund tegen andere verklaringen van het Hooglied, waaronder met name ook Joodse commentaren. Via Udemans is veel Joodse exegese en veel materiaal uit de rabbijnse literatuur in de Statenvertaling terechtgekomen. Ook langs deze weg kan daarom Joodse invloed op de Statenbijbel worden getraceerd.

Naast de studie van Verduin moet ook het werk van C. M. L. Verdegaal worden genoemd. In diverse artikelen heeft deze onderzoeker van rooms-katholieken huize gewezen op de indirecte invloed van het rabbijnse Jodendom op de Statenvertaling. De resultaten van zijn studie werden in 1998 gepubliceerd in een dissertatie getiteld ”De Statenbijbel en de rabbijnen. Een onderzoek naar de betekenis van de rabbijnse traditie voor de vertaling van het boek Job”. Ook door de studies van Verdegaal wordt nadrukkelijk bevestigd hoezeer de Statenvertalers (direct of indirect) geput hebben uit Joodse geschriften.

De conclusie mag tweeledig zijn. Enerzijds kan worden vastgesteld dat we de Joodse invloed op de Statenvertaling niet moeten overdrijven of idealiseren, aangezien er van rechtstreekse, persoonlijke inbreng geen sprake was. Anderzijds staat als een paal boven water dat onze gereformeerde voorvaderen er geen moeite mee hadden om zich door Joodse Bijbeluitleg en rabbijnse kennis van het Hebreeuws te laten inspireren, ook al was men het in theologisch opzicht grondig oneens met de Joodse opvattingen. Wat dat betreft, kunnen wij vandaag nog wel iets van hen leren.

>>rd.nl/synodevandordrecht