Schotse theoloog streed tegen gereformeerde leer

Thomas Erskine of Linlathen erfde het landgoed Linlathen House bij de Schotse stad Dundee van zijn broer James. De Erskine Street in Dundee herinnert nog steeds aan de welgestelde familie die hier vroeger woonde. beeld Mapio

„Het calvinisme is een schaap in wolfskleren en het arminianisme een wolf in schaapskleren.” Met deze boude uitspraak nam Thomas Erskine of Linlathen afstand van het theologische denken in Schotland.

Door zijn ”Letters” kreeg Thomas Erskine of Linlathen (1788-1870) internationale bekendheid, vooral in kringen van het Franse Réveil. Voor belijdenissen en dogma’s had hij weinig bewondering. Het ging hem om de devotie van hart en leven vanuit de gerichtheid van Gods liefde in Christus, die hij in algemene termen voorstelde.

In de verte was Thomas familie van de gebroeders Ebenezer en Ralph Erskine. Thomas volgde een juridische opleiding aan de Universiteit van Edinburgh en wilde zich daar als advocaat vestigen. Dit veranderde toen hij van zijn broer James het landgoed Linlathen House bij Dundee erfde. Sindsdien verdiepte hij zich in theologische vraagstukken die hem nieuwe inzichten verschaften.

Aanvankelijk wilde hij de traditie van de Schotse theologie volgen, maar toen hij innerlijk in conflict kwam met de calvinistische leer van de predestinatie, nam hij hiervan afstand. Zijn nieuwe inzichten verwoordde hij in het boekje ”Het innerlijke bewijs van de waarheid van de geopenbaarde godsdienst”, dat hij in 1820 liet uitgeven. Dit apologetische geschrift gaat niet alleen uit van het Schriftbewijs, maar wil het karakter van God aantonen vanuit de schepping, de voorzienigheid en het getuigenis in het hart.

Hierbij gaat hij niet voorbij aan de zondeval en de noodzaak van de invloed van de Heilige Geest. Het Evangelie brengt de gevallen mens door het werk van de Geest weer in harmonie met God. Daarin is Christus het centrum van de verzoening. Erskine legt meer de nadruk op Christus ín ons dan op Christus vóór ons. Het gaat hem meer om de subjectieve en ethische kant van het christelijk geloof dan om het objectieve verzoeningswerk door Christus.

De theologie van Anselmus kon hem niet langer bekoren. Dat Christus de toorn van God plaatsvervangend heeft gedragen, vond hij niet in de Schrift terug. Hij zag het lijden van de Zoon van God meer als voorbeeld dan als plaatsvervanging.

Wettisch

Wat Erskine van de Schotse kansels hoorde, vond hij vaak wettisch. De noodzaak van de aanklagende functie van de wet bij de bekering en de nadruk op het geloof als middel tot rechtvaardiging wees hij af. In het boekje ”De onvoorwaardelijke vrijheid van het Evangelie” uit 1828 wees hij geloof en bekering af als voorwaarden om tot Christus te komen. De zoekende mens hoefde niet anders te doen dan Gods liefde tot alle mensen te aanvaarden. Volgens Erskine houdt het Evangelie niet in: „Als u zich bekeert en gelooft, zal God u liefhebben en vergeving schenken”, maar: „God heeft u lief en heeft u vergeven, daarom: bekeert u en geloof.”

Thomas sprak hierover met Thomas Chalmers, die in Glasgow opgang maakte. Erskine wilde de Evangelieboodschap baseren op de stelling dat Christus voor alle mensen gestorven is. Chalmers wilde zo ver niet gaan. Volgens hem betrof niet het verzoenend werk als betaling voor de zondeschuld van de gehele wereld, maar uitsluitend het aanbod van genade alle mensen. Wel hield hij staande dat de „wereld” uit Johannes 3:16 de gehele gevallen kosmos bedoelt en niet alleen de uitverkorenen. Hij had moeite met de dominante plaats van de uitverkiezing in de calvinistische theologie. In het voorfront van zijn theologie stond dat niemand van het heilswerk van Christus wordt uitgesloten.

Door de leer van de verkiezing zoveel mogelijk tot de geheimenissen van God terug te leiden, maakte Chalmers de weg vrij om volle ruimte te geven aan een algemeen aanbod van het heil. Op deze wijze wilde hij calvinist blijven, zij het in milde vorm.

Chalmers had achting voor de godsvrucht van Erskine en waardeerde diens boekje over het Evangelie. Maar op punten zoals de verzoening en de rechtvaardiging door het geloof gingen de wegen uiteen.

Afstand

Erskine nam steeds meer afstand van de leer van zijn vaderen. In 1837 gaf hij ”De leer van de uitverkiezing” uit, waarin hij brak met het calvinisme. Hij vond de leer van de predestinatie onbestaanbaar met Gods liefde en rechtvaardigheid. Hij spreekt van Gods vaderlijke liefde die tot alle mensen uitgaat. Het doel van Gods genadehandelen zou zijn dat alle mensen behouden worden. Op deze wijze kwam hij dicht bij de leer van de alverzoening.

Overigens: Erskine kon niet door de kerk veroordeeld worden, omdat hij episcopaal geworden was.

De verschuiving van denken bij Erskine kwam in de jaren 1840 tot een climax toen hij de uiteindelijke heilsbestemming van alle mensen als stereotiep Evangelie proclameerde. Volgens N. R. Needham, die een studie maakte over het leven en de theologie van Erskine, hadden deze en andere stellingen veel invloed op de ontwikkeling van de Britse liberale theologie in de 19e eeuw.

Erskine bleef ongehuwd. Hij hoefde geen betaalde functie te aanvaarden om in zijn onderhoud te voorzien. Daardoor had hij alle tijd om te reizen en te schrijven. Maar zijn grote ijver en diepe denkkracht hadden meer onrust veroorzaakt dan opbouw van het geloof. Door klassieke waarheden aan te vallen, bracht hij zichzelf in een kwetsbare positie. Daar had hij zichzelf wel voor over, maar hij realiseerde zich nauwelijks welke impact zijn theologische ontdekkingen hadden op eenvoudige gelovigen.

Hij was er vast van overtuigd dat hij de Bijbel aan zijn kant had, maar was zich er weinig van bewust dat hij tot ernstige dwalingen geneigd was. Een groot minpunt bij zijn publicaties is dat hij het Schriftbewijs niet de eerste plaats toekende om zijn stellingen te verdedigen.