„”Redelijke Godsdienst” à Brakel eerste succesvolle lekendogmatiek”

Het SSNR-congres in de Utrechtse Jacobikerk trok zaterdag zo'n vijftig belangstellenden. Staand de sprekers, v.l.n.r.: prof. dr. W.J. op ‘t Hof, dr. R.E. van der Woude, dr. R.W. de Koeijer, prof. dr. H.J. Selderhuis. beeld Jan van Reenen
3

De ”Redelijke Godsdienst” van Wilhelmus à Brakel was de eerste succesvolle gereformeerde dogmatiek voor gemeenteleden, aldus prof. dr. W. J. op ’t Hof.

De voorzitter van de Stichting Studie Nadere Reformatie (SSNR) sprak zaterdag in de Utrechtse Jacobikerk op het najaarscongres van de SSNR. Het aantal bezoekers –zo’n vijftig– stelde teleur, merkte prof. Op ’t Hof op. Hij sprak het vermoeden uit dat dit met de locatie te maken had. Hij overweegt om het volgende congres weer in Gouda te houden.

Het congresthema, ”Het ambt aller gelovigen”, besloeg een periode van vier eeuwen. Het begon met het verkrijgen van een belangrijker positie voor leken ten tijde van de Reformatie en liep via de inbreng van gewone gemeenteleden bij het Puritanisme in Engeland en de Nadere Reformatie in Nederland naar de conventikels in het negentiende-eeuwse Groningen.

Leken

De Reformatie zorgde voor een enorme omkeer voor gewone gemeenteleden, betoogde prof. dr. H. J. Selderhuis, hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. „In de Rooms-Katholieke Kerk bestond een groot verschil tussen geestelijken en leken. De laatsten hadden geen inbreng in de kerk. Luther zei dat alle christenen behoren tot de geestelijke stand, ook al hebben ze geen ambt. Dat uitgangspunt betekende –anders dan bij Rome– dat de gelovigen er konden zijn voor de ander. Hiermee was evangelisatie door leken, het ambt aller gelovigen, mogelijk.”

De reformator Martin Bucer stelde de „christelijke gemeenschap” in: groepjes van gelovigen in de kerk die anderen probeerden te bereiken. Daarvoor was studie van de Bijbel nodig. Hier ligt volgens prof. Selderhuis „de wortel van het gezelschapsleven.”

Een verschil met de latere gezelschappen is echter dat de focus niet lag op geloofsopbouw, maar op gemeenteopbouw. „Deze groepen vormden een kerk in de kerk met oog voor de hele kerk. Via de kerngroepen wilde Bucer de maatschappij doortrekken met de kracht van het Evangelie.”

Teellinck

Een eeuw later was het ambt aller gelovigen al behoorlijk ingeburgerd in Nederland, zei prof. Op ’t Hof, emeritus bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van het gereformeerd piëtisme. Willem Teellinck was volgens hem de grote stimulator. De „vader van de Nadere Reformatie” riep in zijn geschriften op tot het houden van conventikels, gezinsgodsdienst en -catechese. Zijn grote invloed blijkt uit de vele schrijvers over dit onderwerp die zich op hem beriepen of hem goed kenden – onder andere Jakobus Koelman, Franciscus Ridderus, Johannes de Swaef, Petrus Wittewrongel en Simon Oomius.

Wilhelmus à Brakel was, aldus prof. Op ’t Hof, de eerste schrijver van een succesvolle „lekendogmatiek.” Dogmatieken waren doorgaans in het Latijn geschreven en bestemd voor theologiestudenten. Brakels ”Redelijke godsdienst” was in het Nederlands geschreven, zonder vertoon van geleerdheid. De bestseller beleefde in totaal 40 Nederlandstalige drukken, afgezien van vertalingen in andere talen. Het succes ervan had ook te maken met het tijdstip van verschijnen. „Door een toenemende vervreemding tussen het kerkvolk en de predikers was er behoefte aan een lekendogmatiek.”

Bunyan

In het puritanisme stond het ambt aller gelovigen ook in hoge ere, legde dr. R. W. de Koeijer uit. Puriteinse leken in Engeland schreven in de zeventiende eeuw dagboeken, biografieën en devotionele publicaties. Er waren ook lekenpredikers, van wie John Bunyan er een was.

Binnen het puritanisme bestond groot verschil van mening over het kerkelijk standpunt. Het congregationalisme wilde meer invloed van leken op het bestuur van de kerk. De ontstane verdeeldheid deed het puritanisme geen goed, aldus ds. De Koeijer.

Oefenaars

Dr. R. E. van der Woude, als onderzoeker verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, vertelde over conventikels in zijn provincie, aan de hand van voorbeelden. In de achttiende eeuw bestond er volgens hem over het algemeen „geen tegenstelling tussen de conventikels en de kerk”, al waren er soms spanningen. In gezelschapskringen deed het volgende rijmpje opgeld: „’t Is een ketter die de letter niet door ondervinding kent.” Nogal wat oefenaars op gezelschappen vonden in de negentiende eeuw kerkelijk onderdak bij de Afscheiding.