„Psalmkeuze binnen HHK mag creatiever”

Onbekende psalmen
Foto RD, Anton Dommerholt

WOUDENBERG – Binnen de Hersteld Hervormde Kerk wordt een kwart van het psalmboek heel frequent gezongen. Een derde van de psalmen staat heel weinig op het liturgiebriefje. „De psalmkeuze mag wel wat creatiever.”

Wilfred ’t Hart (22) uit Woudenberg is vierdejaarsstudent aan het Hersteld Hervormd Seminarie, verbonden aan de VU in Amsterdam. Op zondag speelt hij als organist in de hersteld hervormde gemeente in zijn woonplaats. Die combinatie zorgt ervoor dat hij de artikelen in deze krant over de zogenoemde onbekende psalmen met veel belangstelling volgt.

De student besloot voor zijn bachelorscriptie na te gaan hoe het er binnen de Hersteld Hervormde Kerk als geheel voorstaat met de psalmen en enige gezangen. Hij schreef alle predikanten aan met de vraag over de periode van een kleine drie maanden hem de psalmbriefjes toe te sturen. Daarnaast vroeg hij hun welke factoren het meest bepalen welke psalmen wel of niet opgegeven worden (melodie, inhoud, verwijzingen) en of de predikant zichzelf muzikaal noemt of niet.

Van de 93 aangeschreven predikanten reageerden er 28, een kleine 30 procent. Dat is wat mager, geeft ’t Hart toe. „Maar toch bijna een derde.” Een andere beperking is dat de psalmbriefjes stammen uit de periode 22 januari tot 15 april dit voorjaar. „Dat betekent dat de meeste liturgieën uit de lijdenstijd komen. De Lofzang van Simeon bijvoorbeeld is in die periode logischerwijs nooit opgegeven, wat niet wil zeggen dat het een onbekend lied is.”

Psalm 119

In de scriptie ”Zulks zingt dat volk niet” laat de Woudenberger zien dat twaalf psalmen en gezangen nooit op het psalmbord stonden: de psalmen 7, 14, 20, 60, 76, 114, 125 en 137 en de Lofzang van Simeon, de eerste berijming van de Twaalf Artikelen, de Bedezang voor het eten en de Dankzang na het eten. Vijftien psalmen werden het vaakst opgegeven: 21, 51, 89, 81, 32, 31, 69, 16, 116, 103, 118, 68, 25, 22 en 119. De laatste stond het meest op het psalmbriefje.

’t Hart brengt in kaart dat relatief gezien (afhankelijk van het aantal strofen) in totaal 38 psalmen in de categorieën ”bekend” en ”uitermate bekend” vallen, terwijl 53 psalmen terechtkwamen in de categorieën ”totaal onbekend” en ”onbekend”. Zijn conclusie, op basis van relatieve en absolute aantallen: ongeveer een kwart van de psalmen wordt heel frequent gezongen, terwijl ongeveer een derde van het psalter heel weinig wordt gezongen.

De Woudenberger zocht ook naar oorzaken. Psalmen worden blijkens zijn onderzoek om verschillende redenen wel of niet opgegeven. Een derde van de respondenten geeft aan zich te laten leiden door een concordantie op de psalmen, een kwart zegt vooral met tekstverwijzingen in commentaren te werken. Waarom worden psalmen níét opgegeven? zo vroeg ’t Hart de predikanten. De belangrijkste reden (36 procent) is de inhoud van de woorden. Een kwart geeft aan een psalm niet op te geven vanwege de onbekendheid van de melodie.

De student gaat in zijn scriptie ook na hoe het zingen bij Calvijn werd vormgegeven. Vanuit het gegeven dat in Genève in een halfjaar tijd het complete psalmboek werd gezongen, komt hij tot sterke uitspraken. Zo stelt hij dat, als de Hersteld Hervormde Kerk zich wil houden aan wat Calvijn verstaat onder zang binnen de eredienst, dan het begrip ”onbekende psalmen” „zeer spoedig niet meer voor zal mogen komen.”

Hoe hij dat voor zich ziet? In zijn scriptie noemt ’t Hart vijf factoren die zouden kunnen bijdragen aan het bekender worden van ongezongen psalmen. Het psalmbriefje zou op tijd bij de organist moeten zijn, zodat de begeleiding geen probleem is. Vervolgens zouden de strofen van een psalm in hun context gezongen moeten worden: niet vers 1 en 5 van een psalm, maar aaneengesloten verzen. Het liefst zou de Woudenberger weer gebruikmaken van de zogenoemde ”pauzen” in de psalmboeken, hoewel hij zich realiseert dat een gemeente dan misschien wel vijf of zes verzen achter elkaar moet zingen. Daar heeft hij ook een oplossing voor: er zou wat sneller gezongen kunnen worden. „Ik heb de indruk dat er in mijn kerkverband sinds 2004 steeds langzamer gezongen wordt. Het tempo zou weer iets omhoog moeten.”

Wat betreft de zogenoemde wraakpsalmen, die vanwege hun inhoud vaak gemeden worden: volgens ’t Hart kan het helpen als de gemeente leert zien dat het in dergelijke psalmen niet om blinde haat gaat, maar om de roep om Gods recht.

Voorzang

Ook noemt de student de voorzang voorafgaand aan de dienst, die in sommige gemeenten in gebruik is, als mogelijkheid. Ideaal scenario zou voor hem zijn dat iedere keer voor de dienst een ”pauze” –dus de strofen tussen de ene en de volgende pauzeaanduiding– van een psalm wordt gezongen, zodat alle psalmen en alle verzen aan de beurt komen.

Als laatste borduurt ’t Hart verder op wat een van de predikanten aanreikte. Deze wees erop dat van een aantal bekende strofen een synoniem te vinden is in onbekende psalmen. Psalm 25:6 lijkt bijvoorbeeld op Psalm 112:1. En wie vaak Psalm 108:1 en 2 opgeeft, zou eens naar vergelijkbare strofen in Psalm 57 en 60 kunnen kijken.

Kortom, ’t Hart bepleit in zijn scriptie een breed gebruik van het psalmboek. „Als organist vind ik het altijd een uitdaging als de predikant een onbekende psalm opgeeft. En het is leuk om te merken dat de psalmkeuze origineel is.” Hier en daar ziet hij in de HHK-gemeenten al wat veranderen, onder andere door de recente aandacht voor de onbekende psalmen. „Maar in veel gevallen kan het best nog wat creatiever.”