Psalmen zingen in alle varianten en tempi in Grote Kerk van Dordrecht

beeld RD
3

De christelijke kerk zingt al sinds haar ontstaan psalmen. Op verschillende manieren, in verschillende berijmingen en in verschillende tempi. Het hele arsenaal kwam zaterdagmiddag aan bod in de Grote Kerk in Dordrecht.

Musicoloog dr. Arie Eikelboom en organist Cor Ardesch hadden de leiding. Het tempo van Psalm 42 vers 1, naar de berijming van 1967/1973, zat er goed in. Op de manier zoals kerkgangers dat volgens Eikelboom allemaal gewend zijn.

Vervolgens demonstreerde Eikelboom hoe in de christelijke kerk in de afgelopen vier eeuwen psalmen zijn gezongen. Overgenomen van Israël, gezongen in tempel, synagoge, kloosters en in basilieken, totdat Calvijn en Luther ze –in de volkstaal– eigendom maakte van de kerk.

Hoe de psalmen sindsdien zijn gezongen zou volgens Eikelboom „op de lachspieren” kunnen werken. Voor hem zijn die manieren van zingen authentiek en respectvol.

Fluitkast

Via de berijmingen van Calvijn, Clément Marot en Théodore de Bèze en de belangrijkste componist van de melodieën, Louis Bourgeois, komt de berijming van Petrus Datheen uit 1566 in beeld. In 1578 besloot de synode van Dordrecht dat deze psalmberijming voortaan in alle Nederlandse protestantse kerken gezongen zal worden. Zonder orgel. Eerder besloot de synode dat „satans fluitenkast” moest zwijgen.

Omdat vele kerkgangers ongeletterd waren, moest psalmzingen aangeleerd worden door middel van voor- en nazingen. Lokale schoolmeesters of mannen met een grote, krachtige stem werden voorzanger. In de loop van de zeventiende eeuw mochten organisten voor en na de dienst bewerkingen van psalmmelodieën maken en spelen, zoals de Dordtse organist Hendrik Speuy, van wie Ardesch Psalm 51 ten gehore bracht.

Langzaam en hard

Als in de tweede helft van de zeventiende eeuw de gemeentezang met orgel begeleid mag worden, verschijnen er begeleidingsboeken, zoals van Conrad Friedrich Hurlebusch (1695-1765), organist van de Oude Kerk in Amsterdam. Het psalmzingen ging toen heel langzaam en zo hard mogelijk. Volgens Eikelboom als synoniem voor vroomheid.

In de achttiende eeuw kwam er steeds meer kritiek op Datheens berijming. Het verhaal gaat dat Willem V in de Kloosterkerk te Den Haag zijn psalmboek dichtsloeg bij het zingen van Psalm 78 vers 33, waarin God vergeleken wordt met een dronken man. Hij gaf de Staten van Holland opdracht een nieuwe psalmberijming te maken. Met veel protest werd deze Staatsberijming in 1773 ingevoerd. „Toen de predikant in Vlaardingen toch Datheen opgaf, draaide hij de bajes in”, aldus Eikelboom.

Worp

Met de invoering van ‘1773’ werd een poging gedaan de kwaliteit van de gemeentezang te verbeteren door het trage tempo aan te pakken. Verbetering van het psalmzingen nam in de negentiende eeuw toe met het populair geworden koraalboek van Jan Worp.

Eikelboom schetste hoe in de twintigste eeuw de orgelbegeleiding majestueus vorm krijgt. Ardesch vulde dat in met de inleiding en begeleiding van Psalm 146 volgens Jan Zwart.