Prof. Wim van Vlastuin, een aangevochten hemelburger

Het Gesprek
Prof. dr. Wim van Vlastuin. beeld RD, Anton Dommerholt
9

Hij oogt zelfverzekerd, maar innerlijk weet prof. dr. Wim van Vlastuin zich een aarzelaar. Altijd wikkend en wegend, piekerend en peinzend, op zoek naar het waarheidsargument in de argumenten van andersdenkenden. Met als vast ankerpunt de gekruisigde en opgestane Christus. „Hij is het centrum van mijn bestaan geworden.”

De woning ligt verscholen achter het groen van een bosrijke buurt aan de rand van Wezep. Voor de garage staat een zestien jaar oude Toyota, tegen de voorgevel van het huis is een steiger geplaatst. De achterliggende week was dr. Wim van Vlastuin aan het schuren en schoonmaken; het verven komt nog. „Ja, dat doe ik zelf. Waarom niet?”

Vandaag valt er een druilerig regentje en wijst de buitenthermometer twaalf graden aan. Toch geeft hij de voorkeur aan een gesprek in de openlucht; onder het afdak van het tuinhuisje, op een paar plastic tuinstoelen. „Wacht, ik zal even kussens pakken. Kijk, dat zit beter.” Tevreden laat de rector van het Hersteld Hervormd Seminarie zich in zijn zetel zakken. Smal gezicht, kalende schedel, klassieke bril, sportief jack.

U woont hier heerlijk rustig.

„Toen ik fulltime ging doceren aan de VU, moest ik de pastorie uit. In Katwijk woonden we aan de boulevard. Vooral mijn vrouw vond dat heel druk. Bovendien misten we het groen. Zij komt uit Friesland, ik van de Utrechtse Heuvelrug. Achter onze tuin begon het bos, daar speelde ik vaak.”

Wat voor kind was u?

„Als oudste van de elf fungeerde ik min of meer als leider, ook onder de jongens in de buurt. Tegelijk was ik nogal dromerig aangelegd. Als kind van een jaar of vijf zat ik op de drempel tussen de kamer en de keuken te bedenken dat ik de wind had willen zijn. Zonder ziel. Vanaf mijn vroege jeugd had ik sterke indrukken van de majesteit en heiligheid van God en de noodzaak Hem te leren kennen. Op de basisschool ervoer ik de Heere Jezus soms als heel nabij, maar in mijn puberteitsjaren kwam er ook verzet. Het christelijke leven deed ik af als: „Het is ellende en het blijft ellende.” Ik besloot de Bijbelse boodschap voor later te bewaren. In die jaren dacht ik wel veel na over de zin van het bestaan. Waarvoor leef ik eigenlijk?”

Waardoor veranderde dat?

„Een buurjongen met wie ik intensief omging, stierf in 1981 aan een hersentumor. In diezelfde tijd ging mijn verkering uit. Die breuk werd overschaduwd door het besef dat leven zonder God nog veel erger is. Gods wet confronteerde mij met mezelf; tegelijk was er heimwee naar God. Toen ik voor het eerst werkelijk werd geraakt door het Evangelie van Jezus Christus, probeerde ik mij op allerlei manieren tot berouw en nederigheid te brengen, om mezelf zo geschikt te maken voor de Heere Jezus. Ik zocht de meest veroordelende gedeelten in de Bijbel op en hing aan de lippen van ds. Du Marchie van Voorthuysen. Om tot verbrokenheid te komen, maar in plaats daarvan ging ik mijn vijandschap en hardheid steeds meer ervaren.

Het kwam tot een doorbraak onder een preek van ds. C. Smits op 1 september 1982 in Amersfoort. Hij verkondigde Christus als een Zaligmaker voor goddelozen. Als zo’n goddeloze mocht ik mij aan God verliezen en Jezus Christus overhouden. Om het met Paulus te zeggen: het behaagde God Zijn Zoon in mij te openbaren.”

Van het werkhuis naar het armenhuis.

„Ja, zelf zal ik deze termen niet gebruiken, maar ik herken wel de ervaring ervan. De drie stukken van de catechismus zijn voor mij algemeen geldend. In 1996 ontmoette ik een Chinese christin die me vertelde hoe ze tot bekering was gekomen. De wezenlijke dingen waren niet anders dan in mijn bekering. Ze kreeg oog voor de ijdelheid van de wereld, had berouw over haar zonde, ontdekte het heil in Christus en sprak met intense vreugde over de verlossing door Hem.”

Was de twijfel na Amersfoort geweken?

„Zeker niet. Ik worstelde daarna erg met mijn theologische onzekerheid. Vanaf de kansel hoorde ik dat zien nog geen hebben is en een geopenbaarde Christus geen toegepaste Christus. Op mijn kamer in Delft zat ik schemaatjes te tekenen, om helder te krijgen hoe het in elkaar zat. Omdat ik van thuis had meegekregen dat geen predikant zo veel licht heeft als de oudvaders, verslond ik hun geschriften. Daarin las ik niets over dergelijke onderscheidingen. De theologische helderheid van de Schotse schrijvers met hun onderscheid van Wet en Evangelie hebben me geestelijk geholpen. Eerst steunde ik op mijn bekering, maar later ontdekte ik dat ik niet kon leven uit mijn bekering, maar alleen uit Christus. Hij is mijn diepste zekerheid geworden. Geloof is geen bezit, maar leven uit wat buiten jou ligt. Arm en nochtans rijk.”

Wanneer ontstond het verlangen om predikant te worden?

„Tegelijk met de nood die ik in mijn eigen leven ervoer. Na de geestelijke doorbraak werd het verlangen nog sterker. Toen ik in de worsteling om duidelijkheid mezelf mocht kwijtraken, opende de weg naar de theologiestudie zich. Na mijn kandidaatsexamen in Delft ben ik in Utrecht gaan studeren.”

Terwijl u was voorbestemd om uw vader op te volgen in het familiebedrijf.

„Ja, als kind ging ik al mee om hand- en spandiensten te verrichten. Toen ik zestien was, bouwde ik zelfstandig tuin- en parkwagens. Het was voor mij geen uitgemaakte zaak dat ik in het bedrijf zou komen, maar het lag wel in de rede. Om breed toegerust te zijn, ging ik technische natuurkunde studeren. Toen mijn vader een pand in Kesteren kocht, nam hij mij mee voor de onderhandelingen, omdat hij me als zijn opvolger zag.”

Wat vond hij van uw overstap naar Utrecht?

„In eerste instantie was het voor hem een teleurstelling, geleidelijk veranderde dat. Mijn vader was een gevoelige en geestelijke man, die weinig sprak. Toch voelde ik me sterk aan hem verbonden. Na zijn plotselinge overlijden in 1997 was ik behoorlijk uit balans. Zeker een halfjaar lang stond ik ermee op en ging ik ermee naar bed. Theologisch dachten we niet in alles gelijk, dat gaf soms iets van spanning, maar de verbondenheid overheerste.”

Hoe ervoer u als oud gereformeerde student het theologische klimaat in Utrecht?

„Ik heb daar veel meegekregen, maar ervoer ook een klimaat van ongelovigheid. Op de laatste dag voor de vakantie haalde ik opgelucht adem. De Bijbelkritiek had op mij niet zo veel vat. Ik ontdekte al snel dat die bestaat uit hypothese op hypothese, maar door het liberale klimaat werd er wel aan mijn persoonlijk geestelijk leven geschud. Er zijn perioden van existentiële twijfel aan het bestaan van God geweest. Is het niet allemaal psychologie en projectie; God als een denkbeeldige praatpaal?”

Waardoor verdwenen die gedachten?

„Door de majesteit van het Woord van God, een kracht die je zozeer overweldigt dat je er niet omheen kunt. Ik las ook bewust boeken die op wetenschappelijke wijze een tegengeluid lieten horen, al heb ik het meest gehad aan de werken van de puriteinen. In de slotfase van mijn studie las ik veel over opwekkingen in de loop der eeuwen. De belangstelling daarvoor ontstond door het boek ”Gelijk de dauw van Hermon”, door L. J. van Valen. Dat heeft me diep geraakt. Ik zat daarna te wachten op een breed Nederlands werk over opwekking, verbonden aan een geestelijke boodschap, maar dat kwam niet. Toen ben ik er zelf aan begonnen. Tien dagen later was het klaar.”

Tien dágen...?

„In mijn brein lag de tekst al opgeslagen, dus ik hoefde die enkel uit te schrijven. Ik verlangde naar een geestelijke opwekking vanwege de kerkelijke en maatschappelijke situatie in Nederland. De geschiedenis van de opwekkingen leert dat er ook na Pinksteren perioden van een bijzondere geestelijke herleving kunnen zijn.”

U hebt nooit overwogen oud gereformeerd predikant te worden?

„Jawel, ik ben zelfs bij de commissie van onderzoek geweest. Dat was een prettig en bemoedigend gesprek. De conclusie was dat mijn roeping nog moest rijpen en dat ik een volgend jaar terug moest komen. Dat laatste is niet gebeurd. Gedurende mijn hele studie was er de latente vraag: waar wil God mij hebben? Vanuit de ontdekking van de ledeboeriaanse wortels van de Oud Gereformeerde Gemeenten had ik een sterke betrekking op de Nederlandse Hervormde Kerk. Zo werd het voor mij duidelijk dat ik daar moest gaan dienen. Op 24 mei 1990 ben ik bevestigd als predikant van de hervormde gemeente van Wouterswoude.”

Als vrijgezel. Vond u dat moeilijk?

„Vooraf dacht ik dat het wel zou lukken. Toen ik eenmaal in die grote pastorie zat, bleek dat nogal tegen te vallen. De tekst ”Het is niet goed dat de mens alleen zij” werd een werkelijkheid en een pleitgrond. „Wilt U me een levensgezel geven?” Ik was een bleekneus zonder maatschappelijke ervaring. Heel idealistisch, verlangend naar een opwekking, en dan begint iemand over een fout in de kerkbode. Met de meeste kerkenraadsleden had ik een goede, geestelijke band, maar één ouderling liet onder de dienst weleens demonstratief zijn hoofd zakken. Ik wist niet hoe ik daarmee moest omgaan en voelde me onder druk staan. Later bleek dat zijn kritiek te maken had met de geestelijke worsteling in zijn eigen leven. Anderhalf jaar na mijn komst kwam hij tot ruimte en is er een hartelijke vriendschap tussen ons ontstaan. Daardoor viel er een last van me af.”

En dan wordt u verliefd op een gemeentelid. Dat lijkt me lastig?

Met luide lach: „Dat kun je wel zeggen, ja. Haar moeder was ook in het complot betrokken. Die zorgde ervoor dat we elkaar buiten het dorp konden ontmoeten. Dat informele gescharrel heeft niet zo lang geduurd. Voor ons beiden was al snel duidelijk dat God ons voor elkaar had bestemd.”

Wat betekent uw vrouw voor u?

„Zonder Wilma zou ik het niet gemakkelijk redden, dat heeft de eerste periode in de pastorie wel bewezen. Ik deel vrijwel alles met haar, al is mijn academische leefwereld nu een andere dan de hare. Onze belangrijkste eenheid is de geestelijke eenheid. Ik heb op dit gebied veel geleerd van dr. W. Aalders. Wij dragen het huwelijk niet, maar het huwelijk draagt ons. Dat inzicht heeft ook doorgewerkt in mijn worsteling ten aanzien van Samen op Weg.”

Hoe beleefde u de kerkfusie in 2004?

„Ik ben zeer bewust overgegaan naar de Nederlandse Hervormde Kerk, op grond van de overtuiging dat we samen terug moeten naar de kerk van de Reformatie in ons land om tot herstel te komen. In mijn periode in Opheusden heeft de kerkenraad daar op de classis gepleit voor schuldbelijdenis ten opzichte van de afgescheiden kerken. Vanuit het verlangen naar een kerkelijke en geestelijke weg tot katholieke eenheid. In plaats daarvan ging de Hervormde Kerk te gronde.

In de aanloop naar de kerkfusie heb ik enorm getwijfeld over de keus die ik moest maken. Dat heeft voor een deel met mijn karakter te maken. Ik overweeg dergelijke dingen honderd keer voordat ik een besluit neem en ik moest ook mijn eigen belangen verliezen.

Voor mij betekende het meegaan naar de Protestantse Kerk en aanvaarding van de nieuwe identiteit het verlies van mijn geestelijke vrijheid. Ik kon ermee leven dat mensen tot een andere afweging kwamen, maar vond het verbijsterend dat collega’s die eerst ferme uitspraken deden, vervolgens zeer venijnig werden naar mensen die bleven bij het standpunt dat ze eerst zelf met verve uitdroegen.”

Dat is nog steeds een wond?

„Het gewonde gevoel wordt vooral veroorzaakt door de kerkelijke situatie. De verdwijning van de Nederlandse Hervormde Kerk is voor mij geestelijk-historisch een enorme breuk in onze geschiedenis. Een laatste weerhouder is verdwenen. Ook binnen de afgescheiden kerken zie je momenteel enorm veel schuiven. We zijn ontworteld geraakt, vervreemd van onze geestelijke roots. Die ontwikkeling heeft mij nog indringender bepaald bij de nood van de kerk. Aan hoeveel breuken staan we niet schuldig in ons land?”

De kerkscheuring leverde u indirect een hoogleraarschap op. Voorzag u dat?

„Hoe had ik dat moeten voorzien? Toen het docentschap en later het hoogleraarschap op mijn pad kwamen, zag ik daarin Gods leiding, maar ik heb die posten nooit gezocht. Sterker, ik zou mijn hoogleraarschap graag willen inruilen voor het herstel van de Nederlandse Hervormde Kerk.”

Sinds 2007 bent u rector van het Hersteld Hervormd Seminarie. Wat doet dat met u?

„Ja, wat doet dat met me… Volgens mij niet zo heel veel. Ik voel me niet het boegbeeld, al word ik soms wel zo gezien. Dat was al zo voordat ik rector werd. Mensen uit de breedte van de kerk en de samenleving bevragen mij over zaken die spelen. Als dat gebeurt leg ik verantwoording af, maar ik ben er niet op uit. Als het een poosje rustig is, vind ik het ook best. Zelfs beter.”

Dat kan ik me voorstellen na de Nashville-commotie. Het is op eieren lopen aan de VU?

„Ik ben me in ieder geval nog meer bewust geworden van mijn publieke verantwoordelijkheid. Als je wordt bevraagd op klassiek christelijke thema’s, is het belangrijk dat je de dingen zorgvuldig formuleert. Daarbij laat ik me leiden door Mattheüs 10:16. Voorzichtig als de slangen, oprecht als de duiven. Niet zo voorzichtig dat je een grijze muis wordt, niet zo oprecht dat je de gevoeligheid voor de context verliest en daardoor onbedoeld schade doet aan Gods zaak.

Naar aanleiding van de Nashvilleverklaring hebben we aan de VU een facultair debat gehad, met alle collega’s. Na mijn verhaal hebben twee anderen daarop gereageerd. Ik heb dat als het meest existentiële gesprek in mijn academische loopbaan ervaren. Mijn grondhouding is dat het niet om mij of het Hersteld Hervormd Seminarie, maar om de waarheid gaat. Wat dat betreft sta ik ontspannen in debatten. Ieder mag mij helpen om de waarheid beter te verstaan. Daarbij is echt luisteren naar de ander van groot belang. Ook ketters kunnen dingen zeggen die direct of indirect bijdragen aan een beter verstaan van de waarheid. Ik heb nooit in partijen gedacht, maar altijd vanuit de vraag of iets waar is, ongeacht de vertolker.”

Hoe beleeft u het functioneren in zo’n multireligieus instituut?

„Ik heb er veel van geleerd, in zekere zin meer dan van het lezen van gereformeerde theologie op mijn studeerkamer. Juist als je op je standpunten wordt bevraagd, word je gedwongen na te denken over de essentie van het christelijk geloof in gereformeerde zin. Ik weet me aan de VU geaccepteerd en gerespecteerd, ook als ik soms radicaal andere standpunten heb en mensen daar oprecht verbaasd over zijn. Bij de laatste jaaropening werd ik wel moe van alle postmoderniteit.”

Wat deed de confrontatie met al die verschillende stemmen met uw eigen denken?

„Ik ben dieper verworteld geraakt in Christus. Hij is nog sterker het centrum van mijn bestaan geworden. Het begrip ”unio mystica”, de mystieke eenheid met Christus, is voor mij steeds meer gaan betekenen. Dat heeft ook mijn theologisch denken gestempeld. Alles wat zich aandient, doordenk ik vanuit de Persoon van Christus. Vanuit Hem lichten alle verbanden op: schepping en herschepping, Vader en Geest, moraal, moderniteit en postmoderniteit, wetenschap en geloof, de toekomst… In Christus leven we niet naar de toekomst, maar uit de toekomst, omdat de toekomst in Hem tegenwoordige tijd is.”

Verklaart die ontwikkeling ook uw verschuivende aandacht van de puriteinen via de reformatoren naar de Vroege Kerk?

„Er is zeker een samenhang, al lees ik nog steeds met smaak ook de oudvaders en de reformatoren. Vooral Luther, hoewel Calvijn bepalend blijft voor de basisstructuren van mijn theologie. Wat me in de kerkvaders trekt, is hun theologische en existentiële concentratie op de Persoon van Christus. De reformatoren brengen ons meer bij Zijn werk. Het actuele van de kerkvaders is dat ze net als wij als minderheid in een plurale samenleving stonden. In die context verkondigden ze met kracht dat Christus is opgestaan uit de doden.”

In welk opzicht is uw prediking veranderd?

„Vroeger zag ik de Bijbel als een heilig object dat ik moest uitleggen, waarna ik de toepassing kon maken. Door het lezen van Luther ontdekte ik dat de Bijbel de levende stem van God is, direct gerelateerd aan Christus. Uitleg en toepassing worden daardoor veel meer een eenheid. Het heil is dan niet meer iets in ons, maar in Christus. We delen erin door het Woord. Dat geeft een andere visie op de bekeringsweg, om maar wat te noemen.”

Ervaart u het preken als een last of een lust?

„Allebei. Elke preek is een geboorte, maar ik zou het preken niet willen missen. Het is de kern van de arbeid in het Koninkrijk van God. In de gemeente gebeurt het, alle academische arbeid moet daaraan ten dienste staan. Bovendien word ik er ook zelf gevoed.

Vroeger voelde ik me de prediker die de gemeente de les leerde, nu weet ik me een medehoorder. Preken is niets anders dan luisteren naar wat Christus tot de gemeente heeft te zeggen en daar woorden aan geven. Op weg terug naar huis zingt het meermalen vanbinnen: „Beter dan dit tijdelijk leven, is Uwe goedertierenheid.” Dat mag ik op de kansel vaak ervaren. Het geeft me moed en perspectief voor het academische werk.”

U gaat intussen richting de zestig, denkt u weleens aan het einde?

„Elke dag ben ik me bewust van mijn sterfelijkheid en de voorlopigheid van deze geschiedenis. We verwachten het leven van de toekomende eeuw. Door de situatie in het heden voel ik me een aangevochten mens. Vaak komt de vraag bij me op wat de zin is van alles waar ik mee bezig ben. Ook daarin speelt mijn karakter mee. Ik ben van mezelf onzeker en blijf lang nadenken om tot helderheid te komen. Van een vergadering waarin veel argumenten over tafel gaan, word ik heel moe, omdat ik ze allemaal wil doordenken.

Bovendien leven we in een chaotische wereld. De schepping zucht als in barensnood, in tal van landen gebeuren de afschuwelijkste dingen, de vrijheid om het christelijk geloof te belijden staat wereldwijd onder druk, in eigen land zien we de gevolgen van de Godsvervreemding in decadent gedrag. Dat maakt voor mij het leven zwaar, zeker als ik naar mijn kinderen kijk.

En dan nog het grote kwaad, namelijk in mijn eigen hart. Alleen een levend geloof maakt het mogelijk om vol te houden, in het uitzien naar een vernieuwde aarde van hemelse kwaliteit. Daar zijn de vragen over alle nood en gebrokenheid beantwoord, daar zal God alles zijn in allen en zal ik Christus van aangezicht tot aangezicht zien. Ja, dat blijde vooruitzicht houdt me overeind.”

Dr. Wim van Vlastuin

Willem van Vlastuin (1963) promoveerde in 2002 op een onderzoek naar de leer van de Heilige Geest in de opwekkingstheologie van Jonathan Edwards. Drie jaar later werd hij benoemd tot parttimedocent dogmatiek aan het Hersteld Hervormd Seminarie (HHS). Sinds 2009 is hij fulltimedocent dogmatiek en apologetiek, vanaf 2007 ook de rector van het HHS. In 2014 benoemde de VU hem tot hoogleraar theologie en spiritualiteit van het gereformeerd protestantisme. Daarnaast is hij onder meer directeur van het Jonathan Edwards Centre Benelux en voorzitter van de Bonisa Zending. Dr. Van Vlastuin is getrouwd met Wilma Wiersma; ze kregen zes kinderen.