Prof. dr. Van den Belt: Als historicus kan ik Gods hand niet aantonen

Religie wordt vaak geassocieerd met conflict en geweld. Goede kennis van de christelijke geschiedenis behoedt voor uitglijders, zegt prof. dr. Henk van den Belt.

Samen met prof. dr. Fred van Lieburg redigeerde Van den Belt een bundel opstellen: ”Zuurdesem verandert alles” (uitg. VNK, Gouda 2017). Daarin wordt de geschiedenis van het Kerkhistorisch Gezelschap (KHG) in de jaren 1946-2016 voor het voetlicht gehaald.

Het Kerkhistorisch Gezelschap is vorig jaar samengegaan met de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis (VNK). Wat verwacht u hiervan?

„Er waren veel dubbellidmaatschappen, constateerden we. De functie die het KHG altijd had –platform voor professionals– was niet meer zo relevant. We dachten dat inbedding in de bredere VNK zinvol zou zijn, om versnippering tegen te gaan. En om de wisselwerking tussen amateurkerkhistorici en academici te bevorderen. Het KHG had ongeveer 170 leden, de VNK heeft er nu 450.”

Daarnaast zijn er de Stichting Studie der Nadere Reformatie (SSNR) en het blad Oude Paden. Wordt het niet eens tijd dat ook zij zich aansluiten bij de VNK?

„De VNK is een algemene vereniging en brengt protestanten en katholieken samen. Oude Paden gaat over de zogeheten kleine kerkgeschiedenis, de SSNR bestudeert de Nadere Reformatie. Het lijkt mij het meest vruchtbaar als zij gewoon hun eigen ding blijven doen. Wel is het altijd goed met elkaar te overleggen, bijvoorbeeld dit jaar bij het organiseren van conferenties over de synode van Dordrecht: wie doet wat, en wanneer?”

Wat is volgens u het onderwerp van de kerkgeschiedenis?

„Ik vind het van belang dat je de kerkgeschiedenis niet versmalt tot geschiedenis van het instituut kerk. Wat kerkhistorici bestuderen is het geleefde en beleefde geloof van christenen de eeuwen door, wereldwijd. Kerkgeschiedenis is breder dan het instituut kerk met zijn organisatievorm. Daarom vind ik de aanduiding ”geschiedenis van het christendom” ook prima. Juist de wisselwerking tussen tastbare geschiedenis van mensen in de context van de cultuur –wat dachten ze, wat beleden en schreven ze– is interessant.”

Het door u en Van Lieburg geredigeerde boek heet ”Zuurdesem verandert alles”. Vanwaar deze titel?

„Het is een verwijzing naar een uitspraak van de liberale theoloog en socioloog Ernst Troelsch (1865-1923). Volgens hem is de historische methode, toegepast op de Bijbelwetenschappen en de kerkgeschiedenis, een zuurdesem die alles verandert, en heel de gangbare vorm van theologische methoden opblaast.

Ik ben het niet met Troeltsch eens, maar het is wel een titel die de lading van de discussie van de afgelopen eeuw goed dekt. Je ziet een spanning tussen een historische benadering van de werkelijkheid die heel relativerend werkt en de kerkgeschiedenis reduceert tot cultuur. En daarnaast een benadering vanuit de theologie die zegt: Ja maar er is ook nog zoiets als waarheid en openbaring. En die moeten we blijven verdisconteren.”

Een voorbeeld?

„Je kunt de synode van Dordrecht van 1618/1619 verklaren uit een behoefte aan confessionele helderheid, of uit een politiek machtsspel tussen prins Maurits en raadspensionaris Van Oldenbarnevelt. Dat is allemaal waar en relevant, maar je kunt de synode niet begrijpen zonder de theologische discussie te analyseren. Waar de historicus halt houdt, wil de theoloog graag nog een paar stappen verder gaan en wat in Dordrecht besloten werd relateren aan het christelijk geloof als zodanig.”

Wat is de relevantie van kerkgeschiedbeoefening, nu de samenleving seculariseert?

„Religie wordt vaak geassocieerd met problemen, conflict en geweld. Je ziet een seculiere tendens om vanuit een soort onpartijdigheid alle religies over één kam te scheren. Goede kennis van de christelijke geschiedenis behoedt dan voor veralgemenisering en uitglijders.

Daarnaast is de kerkgeschiedenis van belang voor christenen zelf om hun positie in de huidige cultuur te verstaan. Vaak wordt een tekst uit de Bijbel of de belijdenis gekopieerd naar het heden: dat zeiden ze toen, en dat is dus de gereformeerde theologie. Maar je moet je eerst afvragen: waarom zei men dat toen in die concrete context? En hoe vertaal je dat naar het heden?

Hoe kijkt u aan tegen de opvatting dat een theologische benadering van de kerkgeschiedenis niet aan een openbare universiteit thuishoort?

„Juist op het niveau van de voorvragen –met welke bril kijken we naar de historische werkelijkheid– vind ik het goed te verdedigen dat de theologie mee mag doen op een openbare universiteit. Wel vind ik het problematisch dat het theologische van de kerkgeschiedenis vaak gekoppeld wordt aan Gods voorzienigheid, die te traceren zou zijn in de geschiedenis. Dat roept veel vragen op vanuit de historische methode. Ik zou het specifieke van de kerkgeschiedenis niet aan de voorzienigheid willen koppelen, maar aan het perspectief waarmee je naar de geschiedenis kijkt. Als theoloog kijk je naar dezelfde werkelijkheid vanuit een confessionele verbondenheid en in een confessioneel gekleurd gesprek met de geschiedenis. In die zin geef je er ook een beoordeling van.”

U bespreekt in uw opstel de invloedrijke historicus Jonathan Israel. Wat kan een kerkhistoricus van hem leren?

„In de eerste plaats zou ik zeggen: van de kwaliteit van zijn wetenschappelijk onderzoek. Israel is een fenomenaal geleerde die weet waarover hij het heeft. Hij is een historicus die geen neutrale geschiedenis beschrijft, maar het achterste van zijn tong laat zien. Daarbij heeft hij de neiging alles terug te voeren op de zeventiende-eeuwse filosoof Spinoza: in een klein huisje in Rijnsburg ging het licht van de verlichting op. Dat is mij veel te eenzijdig. Volgens Israel is de seculiere, materialistische moderniteit superieur aan een gelovige positie.

Mijn punt is echter wel: waarom zou iemand als Israel zijn seculiere vooronderstellingen wel kunnen inbrengen, en waarom zouden we een theologische benadering bij voorbaat uitsluiten als onwetenschappelijk? De geschiedwetenschap moet objectief en neutraal zijn en daarom mogen confessionele vooronderstellingen geen rol spelen. Maar veel mensen bedoelen daarmee: er mogen geen andere dan seculiere vooronderstellingen een rol spelen. Dat is natuurlijk iets heel anders.”

Kerkgeschiedenis, in de zin van de kerkhistoricus J. H. Landwehr, impliceert het „letten op de leidingen van Christus met Zijn kerk.” Hoe ziet u dit?

„Als academisch historicus kan ik de leidingen van Christus niet aantonen. Dat moet je ook niet willen. Je bestudeert de feiten op een transparante manier. Vervolgens kun je wel vanuit je levensbeschouwing op die feiten reflecteren. De stichting van de staat Israël bijvoorbeeld verklaar je als academicus zo goed mogelijk uit oorzaak en gevolg. Vervolgens kun je een stap terug doen en je afvragen: hoe kijk ik daar als gelovige tegenaan? En als je daarop reflecterend zegt: Ik zie daarin Gods hand, is dat prima. Maar dat kun je niet aantonen.”