Prof. Den Hertog: Houd zo lang mogelijk band met kerkverlater

Secularisatie, kerkverlating en een nieuwe kerk
Foto RD, Anton Dommerholt

Een kerkenraad moet zo lang mogelijk een band houden met gemeenteleden die dreigen af te haken, zegt prof. dr. G. C. den Hertog. „Mensen moeten weten dat niet God het gesprek met hen beëindigt, maar dat zij het gesprek met God beëindigen.”

Het onderwerp kerkverlating moet urgentie krijgen binnen de kerk, concludeert prof. dr. G. C. den Hertog, hoogleraar systematische theologie aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA), na het lezen van de resultaten van de enquête over kerkverlating die zaterdag in deze krant stonden. „Een aantal jaren geleden dachten we misschien nog dat kerkverlating zich beperkte tot grote gemeenten met een onduidelijke opstelling, de zogeheten middenorthodoxie. Uit de enquête blijkt dat kerkverlating degelijke gereformeerde kerken niet voorbij gaat.”

Prof. Den Hertog voelt zich betrokken bij het onderwerp. Begin dit jaar verscheen van zijn hand een artikel in het maandblad Ambtelijk Contact (voor ouderlingen en diakenen in de Christelijke Gereformeerde Kerken) over het al dan niet uitschrijven van kerkverlaters door de kerkenraad met als titel ”Houdt Gods verbond ook ergens op?”.

In veel christelijke gereformeerde kerken leeft dit thema, zegt prof. Den Hertog. „Kerkenraden vragen zich –vaak niet openlijk– af of ze voor leden die al tien, twintig jaar niet in de kerk komen en op geen enkele wijze bijdragen, nog kerkelijke omslag moeten betalen.” De CGK kennen een landelijk omslagstelsel waarbij elke gemeente bijdraagt naar rato van het aantal leden dat staat ingeschreven.

„Dat we zo niet met kerkverlaters moeten omgaan, lijkt me duidelijk”, aldus de hoogleraar. Wat hem meer aanspreekt, is wat de Bijbel in Micha 5:2 zegt over „de overigen Zijner broederen.” „Dat betekent niet ”het restant”, maar ”degenen die God mist”. Voor velen van ons maken de mensen die meedoen, die geloven, de kern van de kerk uit, de rest is tweederangs. Voor God is dat anders. De goede herder liet 99 schapen in de wildernis achter om dat ene schaap te zoeken. Het is dus niet Bijbels om te denken dat als mensen zich willen onttrekken het daarmee over en uit is. Wij mogen hen niet afschrijven, omdat God hen niet afschrijft. Hun doop is immers een zegel en onwrikbaar getuigenis dat zij een eeuwig verbond met God hebben.”

Prof. Den Hertog is van mening dat de beloften van God altijd gelden en voor iedereen zijn. „Of we nu binnen de kring van Gods verbond geboren zijn of niet, wij vallen nooit buiten Gods beloften.”

Dat maakt de vraag hoe ver het verbond gaat en of het ook een keer ophoudt, minder klemmend, stelt hij. „De Nederlandse Hervormde Kerk kende geboorteleden, dat zijn mensen die niet gedoopt zijn maar van wie het voorgeslacht lid was van de kerk. Ze zijn niet gedoopt, willen er ook niet van weten misschien, maar ze staan wel in de lijn van het verbond.”

De tucht is in veel gevallen geen optie om leden die op geen enkele wijze meeleven tot de orde te roepen, zegt prof. Den Hertog. „Omdat gemeenten vaak niet op één lijn zitten, verwordt de tucht in de beeldvorming al snel tot ”een kerkenraad die moeilijk doet”. Bovendien raakt de tucht mensen niet en roept het woord alleen al grote aversie op. Hiermee bereikt een kerkenraad dus het eigenlijke doel van de tucht –mensen terugbrengen tot Christus– niet, maar eerder het tegendeel: men wil nooit meer iets van de kerk weten en er is geen weg terug.”

Wat een kerkenraad volgens de hoogleraar wel moet doen, is zo lang mogelijk een band houden met gemeenteleden die dreigen af te haken, oprecht belang in hen stellen en liefde tonen.

„Het kan dus nooit zo zijn dat een kerkenraad op 17 november zijn twaalf randgevallen bespreekt en allen dezelfde brief stuurt. Daar zijn mensen te verschillend voor. Ambtsdragers moeten naar de gemeenteleden toe.”

Als een gemeentelid op een bepaald moment te kennen geeft geen contact meer te willen, is het goed als een ambtsdrager op bezoek gaat en de vraag stelt: „Betekent dit dat u zich onttrekt aan de gemeente?” stelt prof. Den Hertog. „Vaak zie je mensen bij deze vraag toch nog aarzelen. Het is toch een hele stap, waar emotioneel veel aan vast kan zitten.”

Als het gemeentelid hierop bevestigend antwoordt, kan een ambtsdrager meedelen dat de kerk zijn of haar gegevens bewaart, dat de doop in de boeken is vastgelegd en dat die nooit ongedaan kan worden gemaakt, aldus de Apeldoornse hoogleraar. „Ook zou hij aan de broeder of zuster kunnen vragen of hij of zij ermee instemt dat zijn of haar naam en adres in de gemeentegids blijft staan onder het kopje: ”Zij hoorden bij onze gemeente”. Predikant en gemeenteleden kunnen dan in de zondagse voorbede en in het persoonlijke gebed aan hen denken.”

In de tijd dat prof. Den Hertog nog gemeentepredikant was, heeft hij kerkverlaters diverse keren op bovenstaande manier benaderd. „En soms werkte dat. Verschillenden zijn teruggekomen. Ik denk dat het belangrijk is dat je helder, maar ook vriendelijk en uitnodigend blijft. Dat mensen niet het idee krijgen dat ze er niet meer bij horen, maar dat ze weten dat er met verdriet afscheid van hen wordt genomen en ze altijd kunnen terugkomen.”

Van professor J. Hovius herinnert prof. Den Hertog zich dat hij toen het over de tucht ging met grote klem tegen zijn studenten zei: „Willen jullie erom denken dat het laatste wat mensen van de kerk zien iemand moet zijn die hun in naam van Christus dringend vraagt: „Kom alsjeblieft terug”? „Mensen moeten weten dat niet God het gesprek met hen beëindigt, maar dat zij het gesprek met God beëindigen. Het verzoek om uitschrijving mag bij grote voorkeur dus niet van de kerkenraad uitgaan.”

Hoe kan kerkverlating worden voorkomen, oftewel hoe kan de kerk mensen aan zich blijven binden? Prof. Den Hertog: „Laat de prediking helder en nodigend zijn, zonder de onplezierige kant ervan weg te laten. Laat zondag 1 de toon bepalen. Zorg er als predikant voor dat je niet het idee uitdraagt dat het Evangelie niet tegen deze tijd op kan. De boodschap van de kerk is de enige boodschap die mens en samenleving nodig hebben. De uitkomst daarvan is aan God.”

Dit is het tweede artikel in een serie over kerkverlating onder jongeren.


Handreiking voor kerkenraden

Enkele handreikingen van prof. Den Hertog aan kerkenraden voor het pastoraat aan kerkverlaters:

– Houd zo lang mogelijk een band met leden die dreigen af te haken, toon belangstelling, wees betrokken.

– Schakel zo nodig andere gemeenteleden in om contact te leggen met een lid dat dreigt zich te onttrekken.

– Benader mensen persoonlijk, ga naar hen toe.

– Wees duidelijk, maar tegelijk vriendelijk en uitnodigend.

– Laat het verzoek om uitschrijving van het gemeentelid zelf komen en –bij voorkeur– niet van de kerkenraad uitgaan.

– Mocht het gemeentelid zich toch willen uitschrijven, deel mee dat zijn of haar doop in de boeken is vastgelegd en dat de kerk zijn of haar gegevens bewaart.

– Vraag of het gemeentelid akkoord gaat met het feit dat zijn naam en adres in de gemeentegids blijft staan onder het kopje ”Zij hoorden bij onze gemeente”.

– Denk aan kerkverlaters in de zondagse voorbede.

– Vergeet familieleden van kerkverlaters niet. Ook zij hebben pastorale zorg nodig.


„Veel gebed voor jongeren nodig”

De kerkredactie deed onderzoek naar het thema kerkverlating. Een selectie citaten uit de toelichtingen bij de antwoorden zoals kerkenraden die invulden.

„Probeer altijd in gesprek te blijven. Gooi de deur nooit dicht.”

„We willen naast de 14- en 15-jarigen ook de 16-plussers gaan bezoeken. Apart van het huisbezoek.”

„Blijf randkerkelijken volgen, zodat zij het weten: de kerk geeft om mij, en God ook.”

„Bedenk goed wat het laatste is wat ze meekrijgen van de kerk.”

„Een belangrijke basis is nog steeds het gezin. Hoeveel aandacht wordt er besteed aan geloofsopvoeding?”

„Er is veel gebed nodig voor jongeren. En dat laatste missen we zo vaak. We zijn zelf druk, druk, druk.”

„Hoeveel jongeren zijn er niet die ”netjes blijven kerken”, maar die zo lijdelijk en feitelijk onverschillig voortleven?”

„In gesprekken wordt aangegeven dat er geen affiniteit meer is met de kerk, maar dat de jongeren voorlopig nog komen uit respect voor de ouders en wegens sociale contacten met vrienden.”

„Je ziet ze vaak afglijden in de vorm dat ze steeds minder naar kerk komen; wegblijven bij catechisatie. Meer en meer trekken ze zich terug. Bij huisbezoeken zijn ze niet meer aanwezig, zodat contacten leggen moeilijk is.”

„Veel doopleden verlaten de kerk niet door hun doopbewijs op te vragen, maar ze komen gewoon niet meer. Ze zijn moeilijk te bereiken.”

„Opvallend is dat het zich het meest voordoet bij jongeren die van huis uit gewend waren om slechts eenmaal ter kerke te komen.”

„We merken dat oprechte interesse, duidelijk taal en een eerlijke evangelische boodschap hen raakt en ook de ouderen.”

„Voorafgaand aan uitschrijven is er altijd meerdere malen contact geweest. Ook met de ouders. Dit proces neemt gemakkelijk een jaar in beslag.”

„Wij schrijven zelf geen jongeren uit, maar bezoeken ze totdat ze zichzelf uit laten schrijven.”

„Het is erg moeilijk om jongeren te binden aan het Woord en de kerk. Een bezoek heeft nagenoeg geen resultaat.”