Prof. Baars: Oprechte vernedering drijft uit tot Hem

2

Moet een zondaar instemmen met zijn verdoemenis? Op het najaarscongres van de Stichting Studie der Nadere Reformatie (SSNR) komt deze prangende vraag aan de orde. Puritein Hooker zegt van wel, nadere reformator Koelman bestrijdt het.

De SSNR organiseerde zaterdag in de Leidse Lokhorstkerk, vlak bij wat eens de woonplaats was van de Pilgrim Fathers, haar congres. Drie gevluchte Engelse predikanten, Ames, Hooker en Robinson, komen voor het voetlicht. Alle drie hebben ze problemen met de Church of England, alle drie wonen ze begin zeventiende eeuw een aantal jaren in Nederland.

Thomas Hooker, vertelt prof. dr. A. Baars in zijn lezing, is van 1631 tot 1633 te gast in de Lage Landen. De puriteinse predikant is in Engeland geschorst. In Delft maakt Hooker als pastoraal medewerker kennis met een kerkelijke structuur die dicht bij zijn idealen ligt. De Engelse ”congregation” in die stad maakt deel uit van een speciale Engelse classis binnen de Gereformeerde Kerk.

De Engelse classis is in die zin bijzonder dat ze geen bevoegdheden heeft, maar meer het karakter draagt van een platform. „Hooker verzet zich principieel tegen afscheiden, maar de presbyteriaanse kerkstructuur is hem juist weer te bevoogdend. De gemeente in Delft is voor Hooker een proefpolder waar hij kennismaakt met het gematigde congegrationalisme. Later in New England brengt Hooker deze vorm van kerk-zijn ook in de praktijk”, aldus prof. Baars.

In het tweede deel van zijn lezing gaat de emeritus hoogleraar van de Theologische Universiteit Apeldoorn in op de vertaling die Jacobus Koelman maakte van ”The Soules Humiliation”, met als Nederlandse titel ”Traktaat van den heylsame wanhoop”. Koelman heeft lof voor Hookers godzaligheid. In zijn voorwoord waarschuwt hij de lezer echter om sommige dingen van het boek met een korreltje zout te nemen. Het gaat dan om Hookers opvatting dat het vereist is dat een zondaar er vrede mee heeft wanneer God hem zou verdoemen.

Koelman noemt deze opvatting een rauwe en ongegronde stelling. Een ontwaakte ziel zou zich eraan kunnen stoten, omdat hij vrede zoekt met Christus en er dus juist niet mee kan instemmen dat God nooit Zijn liefde aan hem zal geven. Prof. Baars concludeert: „Voor Koelman is niet de mate van vernedering beslissend, maar dat de vernedering oprecht is. Díé vernedering is oprecht, die de zondaar uitdrijft tot Christus.”

„Waarom”, zo wil ds. C. Sonnevelt tijdens de vragenronde weten, „vertaalde Koelman dan toch het boek van Hooker?” Prof. Baars: „Koelman heeft meer van Hooker gelezen dan alleen dit boek en waardeerde hem. Hij zag toch ook dingen in dit boek waarvan hij dacht dat ze noodzakelijk zijn. En staat deze stellingname in het hart van Hookers theologie, of is het een zwerfkei?”

Voorzitter van de SSNR prof. dr. W. J. op ’t Hof houdt een biografische lezing over hoogleraar William Ames. Deze predikant woont vanaf 1610 tot aan zijn dood in 1633 in Nederland. Aan de universiteit van Cambridge zet hij zich al in voor levensheiliging onder de studenten, wat hem zijn positie kost. Een benoeming als hoogleraar aan de Leidse universiteit gaat vanwege de lange Engelse arm aan hem voorbij. Uiteindelijk kan Ames in 1622 als hoogleraar theologie in Franeker aan de slag. Een jaar lang is hij daar zelfs rector. Dat jaar benut hij om strenge tucht door te voeren onder de studenten, in het bijzonder voor het typisch puriteinse doel van sabbatsheiliging.

De slotlezing van dr. L. J. van Valen gaat over de meest Leidse predikant van de drie: John Robinson. Hij woont er van 1609 tot aan zijn dood in 1625, en geeft er leiding aan de Engelse vluchtelingen. In Engeland heeft Robinson grote moeite met de wijze van bestuur van de kerk en met in zijn ogen on-Bijbelse gebruiken. In Nottinghamshire bezoekt hij plaatsen „waar hij vrede kan vinden voor zijn vermoeide hart.” Hij scheidt zich af van de staatskerk.

Robinson is een voorstander van lekenprediking. In de gemeente van de ”pilgrims” in Leiden organiseert hij naast de erediensten ook ”prophecyings”. Leden mogen daar ook spreken vanuit de gedachte dat zij het ambt van profeet dragen.