Pinksteren: Hij is onze vrede

beeld Sjaak Verboom
4

Alsof het nog niet genoeg is geweest. Het paradijs is al verloren gegaan; het leven begrensd door de dood. De zonde woekert voort van generatie op generatie. De zondvloed heeft de leefbaarheid op aarde verder aangetast. Koude en hitte zijn gekomen, er hebben zich poolvlakten en woestijnen gevormd, diepe oceanen en hoge bergmassieven. Noach mocht opnieuw beginnen, maar onder sterk verslechterde omstandigheden.

En daarom bouwen de mensen een toren, om te voorkomen dat ze over heel die onherbergzame en troosteloze wereld zullen worden verspreid. „Vervul de aarde”, heeft God tegen Adam en Eva gezegd. „Laten we vooral bij elkaar blijven”, zeggen de torenbouwers van Babel. Het laaggelegen land Sinear lijkt nog de beste plek om een bestaan op te bouwen.

beeld Sjaak Verboom

Opnieuw grijpt God in. Broederlijke eensgezindheid maakt plaats voor misverstand, onbegrip, wantrouwen, vijandigheid, oorlog. Volken vechten om eigen voordeel, tot in de verste verten.

En dan, als alles verloren lijkt, is daar opeens een nieuw begin. God is niet vergeten wat Hij ten overstaan van Eva heeft gezegd tegen de slang. Dat uit haar nageslacht Iemand geboren zal worden die de duivel de kop zal vermorzelen.

Via Abraham, die getrouwd is met de onvruchtbare Saraï, ontvouwt zich een verrassend perspectief. God belooft hem tot een groot volk te maken. Sterker nog, in hem zullen alle volken op de aarde gezegend worden. Via dat ene volk, Israël, is er redding voor alle volken op aarde weggelegd.

beeld Sjaak Verboom

In het laatste der dagen, schrijft Jesaja, zullen de heidenen naar Jeruzalem toestromen. „En vele volken zullen heengaan en zeggen: „Komt laat ons opgaan tot de berg des Heeren, tot het huis van Jakobs God, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden.”

Dan zullen ook de oorlogen ophouden. „Zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden en hun spiesen tot sikkels; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.”

Met Jezus’ komst breekt het Koninkrijk der Hemelen dan eindelijk door. Bij Zijn doop in de Jordaan daalt de Heilige Geest in de gedaante van een duif op Hem neer. God de Vader spreekt uit de hemel: „Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen!” De Vredevorst begint aan Zijn zegetocht, onstuitbaar, vol vuur, vol liefde, opofferingsgezind.

Langs een onbegrijpelijke weg van lijden en sterven maakt Hij heel wat is gebroken, verbrokkeld, versplinterd. Wat mensen ten kwade dachten, heeft God ten goede gedacht. „Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.”

„Hij is onze vrede”, schrijft de apostel Paulus aan de gelovigen uit de heidenen in Eféze. Behalve de Joden delen nu ook de heidenvolken in het heil. „Maar nu in Christus Jezus zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus.” De „middelmuur des afscheidsels” tussen Jood en heiden is geslecht. De toren van Babel is tot de grond toe afgebroken.

„In het laatste der dagen”, zegt ook Petrus op de eerste Pinksterdag, als hij Joël citeert. Bij monde van deze oudtestamentische profeet beloofde God dat hij „op alle vlees” Zijn Geest zou uitstorten. En dat gebeurt nu, op dit moment. Want Jezus is niet in de dood gebleven. God heeft Hem opgewekt, zegt Petrus, we zijn er allemaal getuige van geweest. „Hij dan, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, en de beloften van de Heilige Geest ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.”

En daarom: „Het zal zijn dat een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.” Alleen in de Ark is behoud te vinden voor zondaren.

De duif keerde na het oordeel terug naar de ark, met een olijfblad in zijn bek. Hij bracht een boodschap van vrede. Híj is onze vrede.

beeld Sjaak Verboom

Pinksteren

In de Bijbel worden zeven symbolen van (het werk van) de Heilige Geest genoemd: de wind (Hand. 2:2), vuur (Hand. 2:3), water (Joël 3:23, Jakobus 5:7), de duif (Matth. 3:16), olie (Lev. 24:2, 1 Sam. 16:13, Matt. 25:1-13), wijn (Hand. 2:14-16, Ef. 5:18) en het zegel (Openb. 7:2 en 3, 2 Kor. 1:21-2).