Pinksteren: het waaien van de Geest

De wind, als „de adem van de Ontzagwekkende”. Een stormachtig landschap, geschilderd in 1640 door Rembrandt van Rijn. beeld Herzog Anton Ulrich Museum

De wind waait waarheen hij wil. Zo doen de winden Gods het ook, waaien waarheen ze willen. Maar soms is het windstil, ook in de kerk. Dan roert er geen blad aan de boom, geen spriet in het gras. De bruid bidt of de wind nog weer eens wil opsteken. Ontwaak! En kom!

Het is stil in de hof. De wijngaard ligt verlaten. Alles is schraal en verdord. Er zijn geen aangename vruchten, alleen maar doornen, distelen en netelen. Alles is woest en ledig, alles kwijnt en snakt naar water. Niets is hier dat welig tiert. En de landman vertoeft almaar te komen. Dan klinkt er in de binnenkamer opeens een innig gebed: „Ontwaak, Noordenwind, en kom, Gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof” (Hooglied 4:16a).

Een windvlaag

De bruid uit het Hooglied bidt om wind, of de winden Gods mogen gaan waaien. Als er maar weer wind zou zijn, een windvlaag uit welke windstreek dan ook. De noordenwind, snoeihard en soms ijskoud, of de zuidenwind, die uit een andere hoek waait, die verwarmt en alles weer vruchtbaar maakt. Beide winden zijn nodig. De noordenwind is nodig om alles weg te waaien wat in de weg kan staan, dode bladeren en takken waar geen leven in zit, om echt schoon schip te maken. De zuidenwind is nodig ter verkwikking, om het land weer vruchtbaar te maken, opdat er weer wat zou gaan groeien en bloeien. Als de winden in elk geval maar gaan blazen, uit het barre noorden of uit het zoele zuiden, voelbaar en hoorbaar, om in deze wildernis de schade te herstellen en een nieuw begin te maken. Alleen dan zal het land weer zijn volle garven bieden.

Buiten de legerplaats ligt de hof, een ommuurde tuin. Daar viel weleens een milde regen, een regen die alles overdekte, verkwikte en tot zegen strekte. In die lusthof was alles zo vruchtbaar, er groeiden de mooiste bloemen, de meest smakelijke vruchten. Het was er een lust voor het oog.

Nu ligt er achter de muurtjes alleen nog maar een dorstig stoppelland, „dat sedert lang ligt uit te drogen” (Psalm 143:6, berijmd). Het is allemaal dor en mat en zonder water. Hier is geen geur, geen glans, geen heerlijkheid. Het lijkt wel alsof er op deze akker nooit een spoor van leven is geweest, nooit bloesem en nooit vrucht. Wat een dooie boel. Dit is geen tuin waarover de eigenaar, de grote Hovenier, Zich verblijden kan. Vandaar die innige roep van de bruid uit het Hooglied om wind, of het nu de wind van uitbranding en van oordeel is, of het suizen van een zachte stilte. Als er uit de hemelse schatkamers maar wind komt: „Ontwaak. En kom.” Als er maar eens een geluid als van een geweldig gedreven wind gehoord zou worden, opdat de specerijen van het nieuwe leven zou mogen worden geproefd en gesmaakt.

Gewaterde hof

Als Gods Geest, „de adem van de Ontzagwekkende” (Job 33:4), gaat waaien, dan wordt het weer lente en wordt deze tuin een gewaterde hof. Als de levenwekkende stroom van Gods Geest gaat vloeien, zal de wildernis gaan bloeien als een roos en gaat de dorre vlakte der woestijnen zich weer verblijden, eindeloos. Dan zal de zandzee als herschapen zijn. Want dán wordt „mijn hof” (met een kleine letter) weer „Zijn hof” (met een hoofdletter): „O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten.” Zo komt er weer leven in dorre doodsbeenderen en gaat de hof weer uitbotten, groeien en bloeien, geuren en vruchten voortbrengen, Zijn Naam ter eer.

„De wind blaast waarheen Hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij heengaat; alzo is een iegelijk die uit de Geest geboren is” (Johannes 3:8).