„Ontmoeting met gelovige jongen veranderde alles”

Overtuigd
Annet de Bie-Metz. beeld André Dorst
2

Ze ging niet naar de kerk en zag in haar ouderlijk huis nooit een Bijbel. Annet Metz (26) ontmoette op een camping een christelijke jongen die God had gebeden om een chrístelijk meisje. Toch trouwden ze met elkaar. Twee jaar geleden deed Metz in de Joriskerk in Amersfoort belijdenis van haar geloof en werd gedoopt.

Ze vindt het best spannend om haar levensverhaal te vertellen. Toch doet Metz in haar appartement in Amersfoort op rustige toon uit de doeken hoe zij in aanraking kwam met die voor haar volkomen onbekende wereld van geloof en kerk. Ze heeft haar zoontje Nathan (1) even bij de buren gebracht, die net als zij lid zijn van de hervormde Joriskerk. Het is een warme zomerdag. Vogels fluiten in de bomen tegenover haar flat in de wijk Schothorst.

Metz groeide op in het dorpje Nes, op Ameland. Haar ouders deden, zoals dat heet, „nergens aan.” Zij hadden niets met de kerk. Haar moeder vertelde dat ze de Bijbel weleens doorlas toen ze jonger was, maar daarin liep ze uiteindelijk vast. Vader was van rooms-katholieke komaf.

Metz herinnert zich dat de straat waarin ze woonde op zondag vol stond met auto’s van kerkgangers. „Maar een Bijbel had ik nog nooit gezien”, vertelt ze. „Ik heb op de rooms-katholieke basisschool wel vaak over Jezus gehoord, dat Hij bijvoorbeeld aan het kruis gestorven was. Verder kreeg ik niets mee van het geloof. Mijn oma was wel gelovig. Zij stierf twee jaar geleden na een lange periode van dementie. Ik had nog graag eens met haar over het geloof gepraat, maar daar is helaas niets van gekomen.”

Vakantie

De eerste kennismaking met geloof en kerk had plaats toen Metz met een vriendengroep naar Terschelling op vakantie ging. „Daar ontmoette ik Robin uit Langbroek, mijn huidige man. Hij was een serieuze, gelovige jongen. Voor hij op reis ging naar Terschelling had hij gebeden om een christelijk meisje. En toen ontmoette hij mij! Hoewel hij opgroeide in een gelovig gezin en dorp, had hij op de middelbare school waarop hij zat als christen een uitzonderingspositie. Zo was hij met uitsluitend niet-christelijke vrienden naar Terschelling gekomen. Ik weet nog hoe we buiten zaten bij de discotheek en hij mij vroeg: Wat is jouw doel in het leven? Zo’n vraag had ik nog nooit gehoord en achteraf vind ik het nog steeds heel bijzonder dat ik daar niet meteen op ben afgeknapt.”

Twee weken later zagen Robin en Annet elkaar opnieuw en kregen ze verkering. Een paar maanden later lazen ze samen uit een jongerenbijbel, omdat Annet er nieuwsgierig naar werd. „Dat was mijn eerste kennismaking met de Bijbel. Ik had verwacht dat de Bijbel een ontzettend stoffig boek was, maar dat bleek helemaal niet het geval. Wat ik las, kwam bij mij fris en modern over. We lazen vooral uit Lukas en Markus. We begonnen bij Jezus en Zijn goede boodschap. Van Robins ouders kreeg ik een boekje van de Alpha-cursus. Daardoor raakte ik beter bekend met het geloof en werd daarin steeds meer gestimuleerd.”

Voor Robin was het best lastig om een relatie met Annet aan te knopen. „Hij had om een christelijk meisje gebeden en toen ik op zijn pad kwam, twijfelde hij. Het geloof was voor hem erg belangrijk. Zijn strijd hierover heeft hij mij pas later verteld.”

Voor haar ouders was het een grote overgang dat hun dochter een relatie aanging met Robin en dat ze ging nadenken over het geloof. „Ze waren vooral bang dat ik mij iets liet opleggen. Ze vonden het belangrijk dat ik zelf op een bepaalde leeftijd hierin een bewuste keuzes zou maken. Ik zat er eerst een beetje dubbel in. Dat ik mij bezig ging houden met het geloof heb ik vooral voor Robin gedaan.”

Het was een flinke overgang voor Metz om met haar vriend in Langbroek naar de hervormde kerk te gaan. „Ik was de kerktaal niet gewend, het zingen op hele noten en het orgelspel evenmin. ’s Avonds was er jeugdvereniging. Ik voelde me een buitenstaander, omdat er door mijn achtergrond geen herkenning was.”

Annet was onder de indruk van de manier waarop bij Robin thuis over geloof gesproken werd en hoe er met elkaar werd omgegaan. „Ik merkte dat er gehandeld en gepraat werd vanuit christelijke principes. Dat sprak me erg aan. Na de kerkdienst werd er gezellig over allerlei dingen gekletst en was er ruimte voor ieders verhaal. Vooral Robins opa en oma zijn mensen die het geloof enorm uitstralen. Als ik daar kom, ga ik bijna nooit weg zonder dat over God en het geloof gesproken is.”

Doop

Eenmaal getrouwd gingen de twee in Amersfoort wonen. Ze sloten zich aan bij de Joriskerk. „We hebben ons daar vanaf het begin ontzettend welkom gevoeld. Ds. W. J. Dekker bezocht ons voor een kennismakingsgesprek. Hij vroeg mij of ik de belijdeniscatechisatie wilde volgen. Dat wilde ik graag. Het was een periode waarin ik het geloof op een persoonlijke manier heb leren kennen. In de kerkelijke gemeente leerde ik steeds meer mensen kennen. Ik ervoer herkenning en voelde me minder een uitzondering. Ik heb met volle overtuiging belijdenis gedaan en ben gedoopt, samen met twee anderen.”

Als Mets het over haar doop heeft, schiet haar gemoed even vol. Voor haar was het een hoogtepunt in haar leven, maar haar familie en vrienden waren er niet bij. „Mijn doop was op dezelfde dag als de verjaardag van mijn moeder. Mijn moeder zei dat dit haar eigenlijk wel goed uitkwam; ze kwam liever niet. Ik heb mijn vriendengroep ook uitgenodigd. Niemand kwam echter opdagen, ook al hadden sommigen de intentie om te komen. Ook mijn broers en zus waren er niet, hoewel daar geen duidelijke reden voor was. Ik kan begrijpen dat een ander er niets mee heeft dat ik gedoopt werd, maar probeer er dan te zijn voor de ander, zou ik zeggen. Die gedachte wil ik onze zoon meegeven. Het was ook pijnlijk omdat Robins familie en mensen die we kenden uit de kerk in Langbroek er wél waren.”

Dagelijkse strijd

Het blijft soms moeilijk om in het dagelijks leven gestalte te geven aan het geloof. Neem bijvoorbeeld het bidden voor het eten, zegt Metz. „Over het algemeen vergeet ik dit te doen. Het zit niet in mijn systeem, om het zo te zeggen. Ik deed het thuis nooit. Als wij bij mijn ouders zijn, respecteren ze ons wel en proberen ze er rekening mee te houden dat wij willen bidden.”

Metz vindt het spannend hoe haar zoontje later zal reageren als hij het verschil tussen beide families ziet en daarover vragen gaat stellen. „Ook al zie ik de positieve, leerzame kant daarvan in, namelijk dat het geloof niet vanzelfsprekend is. Wat ik het moeilijkst vind, is dat ik een belangrijke kant van mijn leven niet met hen kan delen. Het is jammer dat mijn familie niet gewoon eens meegaat naar de kerk. Ik weet niet altijd goed hoe ik daarmee om moet gaan.”

Haar moeder was aanwezig bij de doopdienst van Nathan. „Mijn vader was dit keer ook graag gekomen, maar omdat hij op een booreiland werkt en dan telkens een paar weken van huis is, kon hij er niet bij zijn. Ik had het idee dat mijn ouders meer openstonden voor deze doopdienst, misschien omdat het dopen van een kind bekender voor hen is. Ook mijn vader is vroeger als kind gedoopt.”

Metz zit met veel geloofsvragen. „Ik vraag me vaak af of en wanneer mijn familie en vrienden net als ik de kans krijgen om God te leren kennen. Ik ben heel dankbaar dat ik door het ontmoeten van Robin de gelegenheid heb gekregen om God te leren kennen en daarmee de gemeente van God erbij heb gekregen. Het geloof heeft mijn leven in alle opzichten verrijkt. Ik gun mijn familie en vrienden hetzelfde. Maar op wat voor manier ze daartoe zullen komen, daar heb ik geen invloed op. Ik leg het in Gods hand.”

„Zoek contact met andere nieuwkomers”

Ds. W. J. Dekker, predikant van de Amersfoortse hervormde Joriskerk, zegt dat zijn kerk regelmatig te maken krijgt met jonge mensen die niet met het christelijk geloof, met Bijbel en kerk, zijn opgegroeid. „Ze komen er bijvoorbeeld mee in aanraking doordat ze een relatie hebben gekregen met iemand die wel gelooft en naar de kerk gaat. Ik merk dat ik dan vooral heel benieuwd ben naar hun verhaal: Hoe staan zij in het leven? Wat roepen kerk en geloof bij hen op? Wat zijn hun gedachten bij ”God”?”

In gesprek met hen zoekt de predikant naar momenten waarop het gesprek verdieping kan krijgen. „Wanneer mensen aanhaken, probeer ik hen in contact te brengen met anderen. Een kleinere kring zoals een Bijbelleesgroep, waarin zij het zoeken delen en pril geloof wordt verdiept, is belangrijk om in het geloof en in die kerk thuis te raken.”

In het missionaire werk zijn vooral relaties belangrijk, aldus ds. Dekker. „Het geloof komt niemand aanwaaien, ook de nieuwkomer niet. Maar ik ben ervan overtuigd dat er in een samen optrekken iets in gang kan worden gezet wat ík niet maak, maar God zomaar geeft. Daarvoor moet ik de tijd nemen.”

Belangrijk is ook dat de nieuwkomer na de eerste kennismaking en verdieping verder groeien kan. Ds. Dekker: „Er moeten binnen de gemeente plekken zijn waar rond de open Bijbel het gesprek wordt voortgezet. Voor Annet was het heel belangrijk dat zij op het moment dat ze aanhaakte, kon aansluiten bij een groep waarin nog meer nieuwkomers zaten. Het waren jonge mensen bij wie ook iets in beweging gebracht was en die overwogen zich te laten dopen. Dat deed Annet ook, hoewel zij en de anderen ondertussen nog boordevol vragen zaten. Ze trokken verder op met anderen die het geloof wel van huis uit hadden meegekregen. De laatsten werden bevraagd op wat voor hen vanzelfsprekend was. Voor de hele groep werd het uiteindelijk een leerzaam jaar.”

zomerserie Overtuigd

Tegen de trend van kerkverlating en geloofsafval in komen er mensen tot verandering. Het Reformatorisch Dagblad luistert deze zomer naar het getuigenis van zoekers die gevonden zijn. Deel 2: Annet Metz.