Onbekende Psalmen in Grote Kerk Tholen

Onbekende psalmen
Ondanks het fraaie weer hebben heel wat mensen de moeite genomen om naar Tholen te komen. Beeld RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt
16

THOLEN. „Toen Israël ’t Egyptisch rijksgebied/ En ’t volk, zo vreemd van aard en taal, verliet,/ Werd Juda God ter woning.” Al te vaak zullen deze Psalmregels tijdens een doorsnee kerkdienst niet klinken. Zaterdagmiddag begon met Psalm 114:1, ietwat aarzelend, het symposium ”Onbekende psalmen II” in Tholen.

Een beetje zorgen maakten de organisatoren zich vooraf wel, zegt RD-medewerker Evert van Dijkhuizen in zijn openingswoord. Zouden er, met dit fraaie weer, nog wel mensen op het –door het Reformatorisch Dagblad samen met Excellent Recordings georganiseerde– symposium afkomen? „Maar een heel groot aantal mensen is hier toch naar toe gekomen. Daar zijn we heel blij mee.”

Van Dijkhuizen wekt de bezoekers op om „deze middag uit volle borst de onbekende Psalmen mee te zingen. Dat klinkt misschien wat tegenstrijdig: onbekende Psalmen, uit volle borst – want: gaat de melodie nu omhoog of omlaag?”

Na afloop toont Van Dijkhuizen, zelf dirigent, zich zeker niet ontevreden. „Eigenlijk heb ik het vanmiddag niet één keer mis horen gaan.” Hij zal de verslaggever niet hebben horen zingen. Want Psalm 11... en 129...

Tien „onbekende Psalmen” klinken er deze zaterdagmiddag in de prachtige Grote Kerk in Tholen: 114, 11, 12, 120, 129, 44, 83, 58, 59 en 28. Ze worden begeleid door de organisten Peter Eilander en Eric Quist. Twee worden er ritmisch gezongen: 12 en 83.

Eilander, organist in de Eben-Haëzerkerk in Apeldoorn, bijt de spits af, met Psalm 114:1 en 2. Zijn voorspel heeft een fugatische opzet. Het Van Damorgel klinkt fors – maar uit volle borst wordt er echt nog niet gezongen.

Quist, die de gemeentezang in de gereformeerde gemeente in Tholen begeleidt, had het in een vraaggesprek vooraf al gezegd: Psalm 11 vraagt om dissonanten. Die klinken dan ook.

„Onbekende psalmen – daar hoeven we het dus na vanmiddag niet meer over te hebben”, zegt RD-muziekredacteur Jaco van der Knijff. „Die zijn verleden tijd. Aan de oproep die ds. C. Hogchem vorig jaar in Amersfoort deed, om nu eindelijk eens dat hardnekkige probleem uit de wereld te helpen, is gehoor gegeven. Iedereen die wilde heeft het afgelopen seizoen mee kunnen doen. Twee weken lang dagelijks dezelfde psalm zingen, op school, in de kerk, op vereniging, in de auto, in het gezin: dan moet u ze inmiddels vanbuiten kennen. Alleen voor de laatste paar psalmen had u maar één week, omdat we de serie afgerond wilden hebben vóór deze middag. Maar Psalm 137 en 148 in één week aanleren, is ook te doen, weet ik vanuit m’n jeugd.”

We weten echter allemaal dat het zo niet werkt, vervolgt hij. Maar waarom eigenlijk niet? Van één ding is Van der Knijff in de achterliggende tijd wel overtuigd geraakt: het probleem zit ‘m niet in de melodieën, maar in de teksten. „En dan heb ik het niet over vervreemdend of ouderwets taalgebruik in de berijming van 1773. Dat speelt inderdaad soms een beetje mee. Maar het gaat vooral om de inhoud: wat die betreffende dichter 3000 jaar geleden bad, wenste, riep, uitschreeuwde - daar kunnen wij anno 2013 zo moeilijk mee uit de voeten. Moeten ook wij bidden om de verdelging van onze vijanden? Moeten ook wij onze tegenstanders vervloeken? Moeten ook wij wensen dat de kindertjes van Babel te pletter worden gegooid tegen de rotsen? Volgens mij is hiermee hét probleem benoemd dat wij hebben met een aantal onbekende psalmen. Hoe dat probleem op te lossen is? Misschien door het Boek der Psalmen als een liedboek voor alle tijden, alle plaatsen en alle volken te zien.”

De vraag is natuurlijk of elke bezoeker van het symposium het hem nazegt dat het probleem niet zozeer zit in de melodieën. Of je nu Psalm 89 zingt of Psalm 129... Één bezoeker verwoordt het in de pauze zo: „Met Psalm 89 heb ik in elk geval toch meer.”

Ds. D. W. Tuinier uit Aagtekerke leidt twee „onbekende liederen Hamaäloth” in: Psalm 120 en 129. Wat Psalm 129 betreft: deze mág gewoon niet onbekend blijven. „Ik zou zeggen: zing deze psalm, in de 7 lijdensweken, daarvoor en daarna want de inhoud is het waard: er is hoop en verwachting voor een in zich zelf hopeloos volk, voor Israël als natie maar ook voor het geestelijk Israël, om zo persoonlijk, door Gods Geest te leren van verdrukking, verlossing en van verwachting.”

Ds. M. van Kooten (Elspeet) houdt een referaat over „twee onbekende gouden kleinoden van David”: Psalm 58 en 59. Psalm 58 – ook deze Psalm is door de Heilige Geest geïnspireerd. „Dietrich Bonhoefer preekte op 11 juli 1937 in het seminarium Finkenwalde (een van de vijf seminariums uitgaande van de ”Bekennende Kirche”) júist over dze psalm 58 in een kring van predikanten en theologiestudenten. Ze verzetten zich in woord en daad tegen het Hitlerregime. Finkenwalde werd daarom door de Gestapo gesloten en uiteindelijk Bonhoefer opgehangen. De preek over psalm 58 begon als volgt: „Kan deze vreselijke wraakpsalm ons gebed zijn? Mogen wij zo bidden? Het antwoord op deze vraag is heel duidelijk: nee. Wij mogen zeker niet zo bidden. Aan veel vijandschap zijn wij ook zelf schuldig. Waarom kunnen wij deze psalm niet meebidden? Niet omdat wij daarvoor te goed zijn (wat een oppervlakkige gedachte en wat een onbegrijpelijke hoogmoed!) maar omdat wij daarvoor te zondig zijn, te slecht.” Verder zegt hij: „Alleen wie zelf helemaal zonder zonde is, kan zo bidden. Dat recht komt alleen Hem toe, die bij uitstek de Zoon van God is, Jezus Christus. Hoe voorbeeldig stierf hij de dood aan de galg op 9 april 1945 met als laatste woorden „Dit is het einde, voor mij het begin van het leven….”

Uit volle borst meezingen: na de pauze lijkt het beter te gaan dan ervoor. Ligt het wellicht ook een beetje aan de organisten – dat ze nu wat meer het voortouw nemen, meer stimuleren? Psalm 28, de slotpsalm, klinkt werkelijk prachtig – en zingt heerlijk. Eric Quist leidt de Psalm in met een duidelijk regeriaans voorspel. „Ik roep tot U, o eeuwig Wezen”. En dan vers 5 – inderdaad: uit volle borst wordt er meegezongen: „Geloofd zij God, Wiens open oren/ Mijn smeekstem gunstig wilden horen. (...) Dies springt mijn hart van juichensstof,/ En zingt des Allerhoogsten lof.”

Mooi toch, die onbekende psalmen. Maar het programmaboekje heb je wel nodig.